ECLI:NL:RBDHA:2026:5763

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/6257
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaard bezwaar gehandicaptenparkeerkaart afgewezen

Eiser heeft op 7 december 2022 een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart (gpk). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag op 12 oktober 2023 af omdat eiser niet aan de voorwaarden voldeed. Eiser maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat en niet ondertekend was.

De rechtbank overweegt dat de bezwaartermijn zes weken bedraagt en begint te lopen vanaf de dag na de bekendmaking van het besluit. Het primaire besluit werd op 15 december 2023 per post verzonden, waardoor de termijn liep tot 26 december 2023. Een e-mail van 27 maart 2024 verlengde de termijn tot 8 mei 2024. Het bezwaar van eiser dateert van 30 mei 2024, wat te laat is. Daarnaast heeft eiser het bezwaar niet ondertekend en niet gereageerd op het verzoek van het college om dit te herstellen.

Eiser stelde dat hij het besluit niet goed begreep en daarom te laat bezwaar maakte, maar de rechtbank acht dit niet verontschuldigbaar. Eiser had tijdig juridische hulp kunnen inschakelen en werd ook door een derde bijgestaan. De rechtbank concludeert dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard en verklaart het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat en niet ondertekend was, waardoor het niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6257

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 25 juni 2024. In dit besluit heeft het college het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders (gpk) niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
Het college heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting, omdat het beroep kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft bij het college een gpk aangevraagd op 7 december 2022. Het college heeft de aanvraag met het primaire besluit van 12 oktober 2023 afgewezen, omdat eiser volgens het college niet aan de voorwaarden voldoet om daarvoor in aanmerking te komen. Het college heeft het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit op 30 mei 2024 ontvangen. Eiser heeft dit bezwaar niet ondertekend.
2.1.
Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet op tijd is ingediend. Het college heeft het primaire besluit op 15 december 2023 per post aan eiser verzonden, zodat de bezwaartermijn liep tot en met 26 december 2024. Daarnaast is dit besluit op 27 maart 2024 alsnog per e-mail aan eiser verzonden. Als van die datum wordt uitgegaan liep de bezwaartermijn tot en met 8 mei 2024. Het bezwaarschrift dateert van 30 mei 2024 en is hoe dan ook te laat ontvangen. Ook heeft eiser het bezwaar niet ondertekend. Het college heeft eiser bij brief van 4 juni 2024 gevraagd om de reden van de te late indiening en verzocht om het bezwaar alsnog te ondertekenen, maar eiser heeft hierop niet gereageerd. Het bezwaar was volgens het college daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om op hoog niveau een opleiding te volgen. Hij begreep het primaire besluit daarom niet goed. Nadat hij van anderen had begrepen dat hij daartegen bezwaar moest maken, heeft hij dit gedaan. Dit was alleen na de bezwaartermijn.
Toetsingskader
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. [3]
4.1.
Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4] Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post [5] wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [6] Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.
4.2.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [7]
Was het bezwaar te laat, en zo ja, was het te laat indienen verontschuldigbaar?
4.3.
Niet in geschil is dat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit, ook als ervan zou worden uitgegaan dat het besluit pas op 27 maart 2024 is bekendgemaakt. In het betoog van eiser ziet de rechtbank geen reden om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten. Ook niet nu dit begrip ruimer wordt uitgelegd dan voorheen. [8] Daartoe acht de rechtbank van belang dat het op de weg van eiser had gelegen om op tijd (juridische) hulp in te schakelen om tijdig bezwaar tegen het primaire besluit te maken. Niet is gebleken dat eiser daartoe niet in staat kan worden geacht. Eiser heeft zich in beroep immers ook door een derde laten bijstaan.
4.4.
Daar komt bij dat eiser zijn bezwaarschrift ook niet heeft ondertekend en dat hij niet heeft gereageerd op het verzoek van het college van 4 juni 2024 om dit verzuim te herstellen, en om uit te leggen waarom hij het bezwaar te laat heeft ingediend. Het college was om die reden bevoegd om het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. [9] Niet is gebleken van redenen waarom het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Conclusie en gevolgen

5. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026 door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier.
griffier
de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 3:41 van Pro de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
5.Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
6.Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
7.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
8.Zie de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:935.
9.Zie de artikelen 6:5, eerste lid, en 6:6 van de Awb.