ECLI:NL:RBDHA:2026:5876

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
NL26.3933
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 DublinverordeningArt. 18, eerste lid, onder d, DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Jemenitische nationaliteit, diende op 17 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser al een verzoek tot internationale bescherming in Duitsland had ingediend. Duitsland werd verzocht om eiser terug te nemen, wat op 30 december 2025 werd geaccepteerd.

Eiser voerde aan dat hij risico loopt op indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland en verwees naar eerdere uitspraken waarin onvoldoende motivering werd geconstateerd over het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Jemen. Hij stelde dat verweerder zijn aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen Nederland en Duitsland, beide partijen bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen of dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in het Duitse asielsysteem.

Verder is in de jurisprudentie vastgesteld dat in Dublinprocedures geen ruimte is voor toetsing van risico op indirect refoulement door verschillen in beschermingsbeleid tussen lidstaten, tenzij het vertrouwensbeginsel niet langer geldt. Duitsland heeft bovendien met het claimakkoord gegarandeerd dat een nieuwe asielaanvraag van eiser conform richtlijnen zal worden behandeld.

De rechtbank concludeerde dat verweerder in redelijkheid heeft besloten de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3933

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Jemenitische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 17 november 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit Eurodac is gebleken dat eiser in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening [3] de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 30 december 2025 geaccepteerd.
3. Eiser beroept zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 19 juli 2024. [4] Hij verzoekt de rechtbank om als ‘EVRM-rechter’ het risico dat hij loopt op indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland te beoordelen. Hij wijst daarbij verder op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025 [5] waarin is geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom vreemdelingen die naar Jemen moeten terugkeren geen risico lopen te worden blootgesteld aan ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Uit de brief van zijn Duitse asieladvocaat maakt eiser op dat hij in Duitsland is uitgeprocedeerd, want anders had zijn advocaat wel hoger beroep ingesteld. Dat is niet gebeurd. Eiser meent dan ook dat verweerder zijn asielaanvraag aan zich dient te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Duitsland, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling [6] van 25 januari 2024, [7] 6 mei 2024 [8] en 14 februari 2025. [9] Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval hier niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Duitse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [10] of artikel 4 van Pro het Handvest. [11] Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen.
5. Verder volgt uit de uitspraak van het Hof [12] van 30 november 2023 [13] en de uitspraak de Afdeling van 12 juni 2024 [14] dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het (verschil in) beschermingsbeleid dat geldt in de lidstaat waarnaar de vreemdeling wordt overgedragen. Ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, zijn niet relevant bij de toetsing van een overdrachtsbesluit. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zoals hiervoor is overwogen, is verweerder ten aanzien van Duitsland terecht uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers nieuwe asielaanvraag - in overeenstemming met de geldende Richtlijnen - in Duitsland zal worden behandeld. Voor zover eiser vreest voor (indirect) refoulement door het verschil in beschermingsbeleid in Duitsland, moet hij dat risico daar zelf melden of aantonen dat dat door systeemfouten niet mogelijk is.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
11.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
12.Hof van Justitie van de Europe Unie.
13.ECLI:EU:C:2023:934.