Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Jemenitische nationaliteit, diende op 17 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Duitsland had het verzoek tot terugname geaccepteerd op 30 december 2025.
Eiser voerde aan dat er risico is op indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland en verwees naar eerdere uitspraken waarin onvoldoende motivering werd geconstateerd over het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Jemen. Hij stelde dat verweerder zijn aanvraag op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro aan zich had moeten trekken.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen Nederland en Duitsland, beide partijen bij het EVRM en Vluchtelingenverdrag. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen of dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in het Duitse asielsysteem.
Verder is in jurisprudentie vastgesteld dat in Dublinprocedures geen ruimte is voor toetsing van risico op indirect refoulement door verschillen in beschermingsbeleid tussen lidstaten, tenzij het vertrouwensbeginsel niet langer geldt. Duitsland heeft met een claimakkoord gegarandeerd dat een nieuwe asielaanvraag van eiser conform richtlijnen zal worden behandeld.
De rechtbank concludeerde dat verweerder in redelijkheid heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland wordt ongegrond verklaard.