ECLI:NL:RBDHA:2026:5898

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25.15191
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij asielaanvraag na verblijf in ander Europees land

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag buiten behandeling te stellen op grond van artikel 30c van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank onderzoekt ambtshalve of eiser nog procesbelang heeft bij de inhoudelijke behandeling van het beroep.

De minister heeft aangegeven dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en niet meer in Nederland verblijft. De gemachtigde van eiser heeft bevestigd dat eiser elders in Europa een verblijfsvergunning heeft verkregen. De rechtbank overweegt dat bij vertrek met onbekende bestemming de veronderstelling geldt dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de aanvankelijk verzochte verblijfsvergunning in Nederland.

De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bepaald dat procesbelang kan worden aangenomen indien contact met de gemachtigde wordt onderhouden en er een actueel belang is. In dit geval is er sprake van concrete aanknopingspunten dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland, omdat hij vrijwillig naar een ander Europees land is vertrokken en daar een verblijfsvergunning heeft gekregen.

Daarom oordeelt de rechtbank dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak kan binnen een week verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen procesbelang heeft nu hij in een ander Europees land een verblijfsvergunning heeft verkregen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15191

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(vertegenwoordiger: mr. E. van der Meulen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 30c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Procesverloop

2. De minister heeft met het besluit van 1 april 2025 (bestreden besluit) de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Omdat partijen daarna in de digitale berichten van 10 maart 2026 en 12 maart 2026 toestemming hebben gegeven voor het achterwege laten van de zitting, heeft de rechtbank bepaald dat de al geplande zitting van 26 maart 2026 geen doorgang zal vinden. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 17 maart 2026.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft.
4. De minister heeft in de brief van 5 maart 2026 laten weten dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. In de brief van 10 maart 2026 heeft de minister vervolgens aangegeven dat eiser met ingang van 5 november 2024 als zodanig staat geregistreerd. De minister heeft verder aangegeven dat niet is gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld bij de IND, COA, AVIM of DTenV.
5. Bij bericht van 12 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser vervolgens aangegeven dat zij recentelijk nog contact heeft gehad met eiser en dat eiser ergens anders in Europa verblijft waar hij een verblijfsvergunning heeft gekregen. Eiser heeft aangegeven dat hij in Nederland zo lang moest wachten zonder verblijfsvergunning en in Nederland ook nog eens het beschermingsbeleid in Jemen werd afgeschaft, zodat dat hij elders in Europa asiel heeft aangevraagd.
6. De rechtbank overweegt dat na een melding van vertrek met onbekende bestemming, waarvan in deze zaak sprake is, de vooronderstelling geldt dat een vreemdeling niet langer prijs stelt op de door haar aanvankelijk verzochte verblijfsvergunning in Nederland. Het ligt dan op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat deze vooronderstelling onjuist is en daarmee dat er nog sprake is van procesbelang. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (vgl. de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579, 9 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:964 en van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3988) blijkt dat de vreemdeling zijn procesbelang aannemelijk kan maken door te laten weten dat er nog contact is met de gemachtigde. Dit impliceert dat de gemachtigde van de vreemdeling weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat gemachtigde met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
7. Bij uitspraak van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662, rechtsoverweging 2.7 en 2.8), heeft de Afdeling voormelde vaste rechtspraak genuanceerd. Zo oordeelt de Afdeling namelijk dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, hij in beginsel geacht moet worden belang te hebben bij het door hem ingestelde rechtsmiddel. Dit is alleen anders als er voldoende concrete aanknopingspunten zijn dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft.
8. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van concrete aanknopingspunten dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Uit het bericht van de gemachtigde van eiser van 12 maart 2026 volgt namelijk dat eiser heeft besloten de uitkomst van het door hem ingestelde beroep tegen het besluit van 1 april 2025 niet in Nederland af te wachten en hij (vrijwillig) naar een ander land in Europa is vertrokken, om aldaar een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Uit het bericht van eisers gemachtigde volgt ook dat dit verzoek om internationale bescherming inmiddels is toegewezen en dat eiser in het bezit is van een verblijfsvergunning. De rechtbank ziet hierin voldoende concrete aanknopingspunten om zonder meer aan te nemen dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.
9. Gezien deze conclusie in combinatie met wat de Afdeling heeft overwogen in de eerdergenoemde uitspraak van 1 juli 2024 is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dit betekent dat alleen al hierom het beroep niet-ontvankelijk is.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van
K. Postema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen 1 week na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.