ECLI:NL:RBDHA:2026:5907
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen ophouding op grond van Vreemdelingenwet 2000
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hem op te houden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat het strafrechtelijke voortraject niet controleerbaar was vanwege het ontbreken van stukken en dat het gebruik van een beëdigde tolk zonder vermelding van de naam een gebrek in de ophouding opleverde, wat onrechtmatigheid en schadevergoeding zou rechtvaardigen.
De rechtbank overweegt dat zij niet bevoegd is om het strafrechtelijke voortraject te toetsen en dat het beoordelingskader begint bij de aanvang van de ophouding. Verder is vastgesteld dat eiser de Oezbeekse taal machtig is en de tolk heeft begrepen, waardoor het ontbreken van de naam van de tolk geen schending van belangen oplevert.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om proceskosten en schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter A. Hello en griffier F.S. Ulrich en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.