ECLI:NL:RBDHA:2026:607

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25-22950 en NL25.58724
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Vwopartikel 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005artikel 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen plaatsing in Handhaving- en Toezichtlocatie en vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank Den Haag behandelde op 15 januari 2026 twee beroepen van eiser tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste beroep betrof het plaatsingsbesluit van 21 november 2025 om eiser in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen. Het tweede beroep richtte zich tegen de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister op dezelfde datum.

De rechtbank stelde vast dat het incident dat leidde tot het plaatsingsbesluit bestond uit agressief gedrag van eiser, waaronder bedreigingen met een denkbeeldig pistool, het veroorzaken van brand in zijn eigen bed en het luidruchtig gedrag onder invloed. Deze feiten werden niet betwist door eiser. Hij voerde aan dat medische belemmeringen, zoals medicatiegebruik en stressklachten, een plaatsing in de HTL in de weg stonden, maar onderbouwde dit niet met medische stukken.

De rechtbank oordeelde dat het COa terecht had vastgesteld dat er geen medische contra-indicaties waren voor plaatsing in de HTL, mede omdat de medische dienst (GZA) geen bezwaar had tegen de plaatsing. Ook was de vrijheidsbeperking volgens eerdere jurisprudentie geen strafrechtelijke vrijheidsontneming. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond was, werd ook het beroep tegen de daarop gebaseerde vrijheidsbeperkende maatregel afgewezen. Eiser kreeg geen schadevergoeding en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De beroepen tegen het plaatsingsbesluit in de HTL en de vrijheidsbeperkende maatregel worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25-22950 en NL25.58724

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaken tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 21 november 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 21 november 2025 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 21 november 2025 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [3] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 5 december 2025 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 6 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen worden ongegrond verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en er ook geen aanspraak bestaat op een vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – samengevat – het volgende. Op 19 november 2025 om 22:15 uur kwam eiser (bewoner A) uit appartement 11 en sprak hij de beveiliging boos aan. Eiser schreeuwde, schold, gooide zijn pasjes op de grond en liet gebaren zien alsof hij een pistool op zijn zij had en iemand wilde neerschieten, waarbij hij geluiden maakte als “bambambam”. Eiser maakte daarnaast snijbewegingen bij zijn keel. Om 22:25 uur sloeg eiser tegen het raam van de receptie, waarbij hij onder invloed leek, en hij schold en was luidruchtig . Omstreeks 22:35 uur liep eiser terug naar appartement 11 en omstreeks 22:45 uur kwam bewoner B vanuit appartement 11 naar de receptie, waarbij bewoner B aangaf dat eiser ruzie aan het maken was en een brand wilde stichten. Vervolgens kwamen meerdere bewoners vanuit appartement 11 naar de receptie. De medewerkers van de beveiliging zijn naar appartement 11 gegaan, waarbij zij zagen dat er een deken in brand stond. Op dat moment ging het brandalarm ook af. Zij zagen eiser met een aansteker bij de deken staan. Het bed (deken en matras) dat in brand stond was het bed van eiser. Om 23:03 uur is de politie gebeld wegens brandstichting. Doordat de medewerkers van de beveiliging zelf de brand onder controle hadden, was de brandweer niet nodig. Er is aangifte gedaan tegen eiser wegens brandstichting.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser stelt dat er sprake is van medische belemmeringen die aan de plaatsing in de HTL in de weg staan. Eiser heeft aangevoerd dat hij medicatie gebruikt voor zijn rugklachten en dat hij stress en benauwdheid ervaart door zijn plaatsing op de HTL-locatie. Eiser stelt dat er ten onrechte niet is doorgevraagd wat voormelde klachten feitelijk voor hem inhouden.
4.1.
Daarnaast stelt eiser dat hij in een gevangenis is geplaatst en dat zijn vrijheid hem is ontnomen, terwijl dit niet wegens strafrechtelijke veroordelingen is.
Oordeel van de rechtbank
5. Het betoog van eiser dat sprake is van vrijheidsontneming volgt de rechtbank niet. De uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 juli 2020 [4] en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 september 2024 [5] , waarin is geoordeeld dat in de HTL geen sprake is van vrijheidsontneming is daaromtrent voldoende duidelijk. De rechtbank merkt daarbij nog op dat eiser op 25 december 2025 de HTL vrijwillig heeft verlaten, waarna de maatregel artikel 56 Vw Pro is opgeheven.
5.1.
De beroepsgronden slagen verder niet. De rechtbank stelt vast dat de beschrijving van het incident en de kwalificatie daarvan door het COa niet in het geschil zijn gebracht door eiser. Ten aanzien van het verweer van eiser dat er sprake is van medische belemmeringen die aan de plaatsing in de HTL in de weg staan, oordeelt de rechtbank dat het COa zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser aangevoerde medische omstandigheden geen contra-indicatie vormen om eiser niet in de HTL te plaatsen. De rechtbank is van oordeel dat het COa terecht betoogt dat daarmee rekening is gehouden bij de voorbereiding van het bestreden besluit. GZA zag blijkens het akkoord van 20 november 2025 geen bezwaar omdat er geen medische belemmeringen aan de plaatsing in de HTL in de weg stonden. Door eiser zijn de gestelde medische belemmeringen daarnaast niet aan de hand van medische stukken onderbouwd. De rechtbank is niet gebleken dat de medische voorzieningen in de HTL tekortschieten of dat eiser daarvan geen gebruik kan maken.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. De rechtbank overweegt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen contra-indicatie vormen voor het opleggen van het plaatsingsbesluit. Verder heeft eiser ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten geven om van het beleid van het COa af te wijken.
5.3.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
6. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

7. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht nemen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond.
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 15 januari 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Rechtbank Den Haag 10 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6252.
5.Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3564.