De rechtbank Den Haag behandelde op 15 januari 2026 twee beroepen van eiser tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste beroep betrof het plaatsingsbesluit van 21 november 2025 om eiser in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen. Het tweede beroep richtte zich tegen de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister op dezelfde datum.
De rechtbank stelde vast dat het incident dat leidde tot het plaatsingsbesluit bestond uit agressief gedrag van eiser, waaronder bedreigingen met een denkbeeldig pistool, het veroorzaken van brand in zijn eigen bed en het luidruchtig gedrag onder invloed. Deze feiten werden niet betwist door eiser. Hij voerde aan dat medische belemmeringen, zoals medicatiegebruik en stressklachten, een plaatsing in de HTL in de weg stonden, maar onderbouwde dit niet met medische stukken.
De rechtbank oordeelde dat het COa terecht had vastgesteld dat er geen medische contra-indicaties waren voor plaatsing in de HTL, mede omdat de medische dienst (GZA) geen bezwaar had tegen de plaatsing. Ook was de vrijheidsbeperking volgens eerdere jurisprudentie geen strafrechtelijke vrijheidsontneming. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond was, werd ook het beroep tegen de daarop gebaseerde vrijheidsbeperkende maatregel afgewezen. Eiser kreeg geen schadevergoeding en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.