ECLI:NL:RBDHA:2026:612

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/5095
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:119 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid rechtbank bij herzieningsverzoek uitspraak voorzieningenrechter op grond van artikel 8:81 Awb

Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot herziening van een uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2025. Zij stelde dat het college een onmiddellijke verhuizing had aangekondigd ondanks de lopende procedure, waardoor zij en haar kinderen zonder rechterlijke bescherming naar onveilige crisisnoodopvang zouden worden gedwongen.

De rechtbank overwoog dat herziening van uitspraken van de voorzieningenrechter alleen mogelijk is indien deze zijn gedaan op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In deze zaak was de uitspraak echter gedaan op grond van artikel 8:81 Awb Pro, met toepassing van artikel 8:83, eerste lid, Awb. Hierdoor is de rechtbank kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot herziening.

De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen en wees het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door rechter R. Tesfai en griffier D.G. van den Berg op 14 januari 2026 en openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het herzieningsverzoek en wijst het verzoek af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5095

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland,het college,
(gemachtigde: mr. E.M. Braam en M. Fleer).

Procesverloop

1. Bij brief van 24 november 2025 heeft verzoekster verzocht om herziening van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 november 2025. [1]
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:119, tweede lid, van de Awb, [2] in samenhang met artikel 8:54 van Pro de Awb, uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

2. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om de uitspraak van 24 november 2025 te herzien omdat het college een onmiddellijke verhuizing heeft aangekondigd (per 25 november 2025 om 8:30 uur) ondanks de lopende procedure. Verzoekster en haar kinderen worden hierdoor zonder rechterlijke bescherming gedwongen te verhuizen naar onveilige crisisnoodopvang. Uit jurisprudentie [3] volgt dat kwetsbare asielzoekers niet in crisisnoodopvang worden geplaatst tenzij aan hun specifieke opvangbehoeften kan worden voldaan. Uit het GGD-verslag blijkt verder dat de locatie Wehe-den Hoorn een dergelijke crisisnoodopvang is, dat de opvang meerdere serieuze tekortkomingen heeft en niet voldoet aan COa-normen en normen voor kwetsbare groepen. Bovendien volgt uit het GGD-verslag dat geadviseerd wordt de gebruikte checklist alleen te gebruiken voor locaties die maximaal vier weken voor tijdelijke opvang worden gebruikt.
2.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter een uitspraak op verzoek van een partij herzien op grond van feiten of omstandigheden die (a) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, die (b) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn en, (c) waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat uitspraken van de voorzieningenrechter alleen voor herziening in aanmerking komen als deze zijn gedaan op grond van artikel 8:86 van Pro de Awb. [4] De voorzieningenrechter heeft in de zaak van verzoekster echter uitspraak gedaan op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb en daarbij toepassing gegeven aan artikel 8:83, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is daarom kennelijk onbevoegd om van het verzoek om herziening kennis te nemen.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, op 14 januari 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.LEE 25/4618.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Rechtbank Den Haag, 20 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12429.
4.Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 7 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3188.