ECLI:NL:RBDHA:2026:6200
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Eerder had de rechtbank bij uitspraak van 5 juni 2025 het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens werd een dwangsom opgelegd.
Ondanks deze uitspraak heeft de minister geen besluit genomen, waarop eiseres op 16 januari 2026 opnieuw beroep instelde. De rechtbank constateert dat de minister wederom niet binnen de gestelde termijn heeft beslist, waardoor het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.
De rechtbank wijst erop dat de eerder opgelegde dwangsom onvoldoende prikkel bleek en legt daarom een nieuwe dwangsom van € 200 per dag op, met een maximum van € 15.000. Tevens wordt de minister opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. De proceskosten van € 467 worden aan de minister opgelegd.
De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht definitief toe, gelet op betalingsonmacht van eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp en griffier A.S. Hamans op 17 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen onder oplegging van een dwangsom.