ECLI:NL:RBDHA:2026:621
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak over niet tijdig beslissen op Woo-verzoek inzake inkoop persoonlijke beschermingsmiddelen
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 15 januari 2026, wordt het verzet van de opposant tegen de uitspraak van 11 juli 2025 behandeld. De opposant had een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met betrekking tot de inkoop van persoonlijke beschermingsmiddelen tijdens de coronapandemie. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de minister niet tijdig had beslist op dit verzoek, en had de minister opgedragen om uiterlijk 31 december 2025 een volledig besluit te nemen, met een dwangsom van €100,- per dag bij overschrijding van deze termijn.
De opposant is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en heeft verzet aangetekend. Hij klaagt over de lange beslistermijn die aan de minister is gegeven en vindt het onredelijk dat de minister meer tijd krijgt dan hij zelf had verzocht. De rechtbank oordeelt dat de gegrondheid van het beroep niet tijdig beslissen vaststaat, omdat de beslistermijn al was overschreden ten tijde van de bestreden uitspraak. De rechtbank concludeert dat er geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd in het verzet die de eerdere uitspraak kunnen ondermijnen.
Uiteindelijk verklaart de rechtbank het verzet ongegrond, waardoor de eerdere uitspraak van 11 juli 2025 in stand blijft. Er wordt geen proceskostenveroordeling of terugbetaling van griffierechten opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, in aanwezigheid van griffier mr. M.J.J. Roks, en is openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.