ECLI:NL:RBDHA:2026:6278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11646693 \ CV EXPL 25-1166
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 150 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs causaal verband beroepsziekte

Eiseres was werkzaam bij gedaagde en stelt dat zij door haar werkzaamheden gezondheidsklachten heeft ontwikkeld, waaronder het syndroom van De Quervain, CMC-1 artrose en reumatoïde artritis. Zij vordert aansprakelijkheid van gedaagde op grond van werkgeversaansprakelijkheid volgens artikel 7:658 BW Pro.

De kantonrechter beoordeelt of de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is, waarbij eiseres moet stellen en aannemelijk maken dat zij is blootgesteld aan schadelijke arbeidsomstandigheden en dat haar ziekte daardoor is veroorzaakt. Eiseres heeft haar werkomstandigheden geschetst, maar de kantonrechter vindt de onderbouwing onvoldoende, mede door gemotiveerde betwisting van gedaagde en gebrek aan medische stukken die het causaal verband ondersteunen.

De medische adviezen van verzekeringsartsen spreken een verband tussen de klachten en het werk tegen, en wijzen op andere oorzaken zoals reumatoïde artritis. Eiseres heeft onvoldoende bewijs geleverd om het causaal verband aannemelijk te maken, waardoor de omkeringsregel niet van toepassing is en de bewijslast volledig op haar rust.

De kantonrechter concludeert dat eiseres niet heeft voldaan aan haar stelplicht en wijst de vorderingen af. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering van eiseres wegens werkgeversaansprakelijkheid wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van causaal verband.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
JL (D)
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Gouda
Zaaknummer: 11646693 \ CV EXPL 25-1166
Vonnis van 19 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] , [land] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. C.H. Ruis,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mrs. D.M. Gouweloos en E.L.Q. van Tets.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 april 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de aanvullende producties van [eiseres] ,
- de aanvullende producties van [gedaagde] ,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 24 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitaantekeningen van mr. Ruis,
- de pleitaantekeningen van mrs. Gouweloos en E.L.Q. van Tets,
- de akte overlegging producties van [gedaagde] ,
- de antwoordakte van [eiseres] , met aanvullende producties,
- de akte uitlaten producties van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis (nader) bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is op 6 juni 2016 op basis van een uitzendovereenkomst tewerkgesteld bij (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] . [eiseres] was werkzaam op de afdeling Buitenlandse Kaas.
2.2.
Op 4 december 2017 is [eiseres] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst betreden bij (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] . Op 4 december 2018 is de arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In deze laatste arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 2 Werkzaamheden Pro
2.1
De functie van werknemer is Medewerker verpakking A.
(…)
2.3
Op gronden van bedrijfsbelang ontleend, kan werkgever tijdelijk andere, niet direct uit de functie voortvloeiende, werkzaamheden opdragen. Werknemer is gehouden deze werkzaamheden te verrichten.
(…)
Artikel 5 Arbeidsduur Pro/werktijden
5.1
De normale arbeidstijd volgens de CAO bedraagt gemiddeld 36 uur per eek per kalenderjaar. Werknemer werkt gemiddeld 36 uren per week.
(…)
5.3
De normale werktijden in de onderneming van werkgever zijn: van maandag t/m donderdag van 6.00 tot 15.00 uur dan wel 15.00 uur tot 25.00 uur. Op vrijdag van 6.00 uur tot 15.00 uur.
5.4
Van werknemer wordt verwacht dat hij, wanneer dat voor de goede vervulling van zijn functie noodzakelijk is, buiten de vastgestelde werktijden overwerk te verrichten. Overwerk wordt vergoed conform de toepasselijke regels in de CAO.
(…)
Artikel 13 Toepasselijke Pro regelingen
13.1
Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO Particulier Kaaspakhuisbedrijf van toepassing.
13.2
Eveneens is van toepassing het binnen het bedrijf van werkgever geldende Personeelshandboek. Een exemplaar van dit Personeelshandboek is (…) aan werknemer ter hand gesteld.”
2.3.
[eiseres] heeft zich op 18 maart 2019 ziekgemeld. In de Probleemanalyse van 17 mei 2019 van de bedrijfsarts (Remaz Groep) is onder meer vermeld dat het arbeidsverzuim algemeen wordt veroorzaakt door gezondheid, dat de beperking van de arbeidsgeschiktheid op medische gronden is en dat (gedeeltelijke) werkhervatting onverantwoord is. In de Probleemanalyse van 26 september 2019 van de bedrijfsarts (Remaz Groep) is onder meer vermeld dat het verzuim niet werkgerelateerd is en dat [eiseres] vanwege haar beperkingen op dat moment ongeschikt is voor de eigen functie.
2.4.
In de Rapportage Arbeidsdeskundig Onderzoek Spoor I/II van 9 oktober 2020 van [arbeidsdeskundige] ([adviesbureau 1]) is onder meer het volgende vermeld:

Samenvatting conclusie en advies

Werknemer is ongeschikt voor het eigen werk van productiemedewerker kaas voor de volle takenomvang.

Het eigen werk is gezien de beperkingen voor het in het bijzonder hand- vingergebruik niet passend te maken.

Er zijn gezien de genoemde beperkingen geen passende duurzame re-integratiemogelijkheden intern bij de eigen werkgever.

Re-integratie naar ander passend werk bij een andere werkgever is per direct aan de orde.
(…)
FUNCTIEOMSCHRIJVING
(…)
Taken & Verantwoordelijkheden Productiemedewerker kaas:

Het snijden (3500-5000 kazen per dag) en schoonmaken van kantine/ kleedkamers en kantoor (1 x 2 weken),

Pallets (500 stuks op een pallet) met kazen vanuit het magazijn vervoeren naar werkplek om deze te versnijden

Het controleren van het product op gebreken en verwijderen van slechte delen

Het registreren van gegevens op productieformulieren

Schoonmaken/ reinigen van snijmachine (snijden met hand, machine en mal)

Het schoonmaken van apparatuur en werkomgeving.
(…)
Belasting in het werk/ functie
Er is sprake van de volgende belasting:

Werken in een koele omgeving waar het ongeveer tussen de 12 en 17 graden °C is. Het werk wordt volledig staand uitgevoerd met soms een paar passen lopen, voorts sprake van samenwerken, afleiding door activiteiten van anderen, deadlines/ productiepieken, rumoerige werkomgeving (omgevingsprikkels), bij gepaalde lijnen deadlines/ productiepieken (echter niet fors), hoof handelingstempo (wel doorwerken/ lopende band is bepalend), frequent lichte lasten hanteren (tot 4 kg), tillen tot 15 kg, intensief hand-vingergebruik (repetitief, knijp- grijpkracht), frequent reiken (niet boennormaal), staan (hele dag), lopen (1 uur gedurende de dag), frequent buigen (bij het verpakken van kaas), frequent hoofdbewegingen maken (tot 45 graden), torderen, etc.
Belasting versus belastbaarheid
Geschiktheid eigen werk:
Gelet op de vastgestelde belastbaarheid versus de belasting in het eigen werk zijn er overschrijdingen voor o.a.;

Hand- vingergebruik (repetitief en knijp- grijpkracht), frequent lichte lasten hanteren tot 4 kg, tillen 15 kg, duwen trekken > 15 kg.
Deze belastingaspecten zijn inherent aan de functie van productiemedewerker kaas. Werknemer is derhalve ongeschikt voor het eigen werk van productiemedewerker kaas voor de volle takenomvang.
2.5.
[eiseres] ontvangt sinds 18 maart 2021 een IVA-uitkering.
2.6.
[eiseres] en [gedaagde] hebben op 13 juli 2021 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.
2.7.
[eiseres] heeft [gedaagde] op 31 maart 2023 aansprakelijk gesteld op grond van werkgeversaansprakelijkheid. [gedaagde] heeft op 28 april 2023 iedere aansprakelijkheid afgewezen.
2.8.
Naar aanleiding van de aansprakelijkheidstelling heeft de verzekeraar van [gedaagde] Cordaet opdracht gegeven om een onderzoek te verrichten naar de arbeidsomstandigheden bij [gedaagde] . Cordaet heeft in dat kader op 18 september 2023 een rapport uitgebracht.
2.9.
In het medisch advies van [verzekeringsarts] ([adviesbureau 2]) van 24 januari 2024 is onder meer het volgende vermeld:

Advies:
Er is sprake van klachten aan beide handen, met name in het verloop van de strekpees van de duimen en aan de CMC 1 gewrichten, de overgang van de eerste straal naar de pol. Volgens betrokkene (…) zijn deze het gevolg van de werkzaamheden die betrokkene heeft verricht.
Informatie van de huisarts en bedrijfsarts ontbreken, wel ontving ik informatie van het ziekenhuis waaruit blijkt dat betrokkene uitgebreid gezien is door onder andere de neuroloog, de plastisch chirurg en revalidatiearts.
(…)
7. De vraag is nu, of de Quervain een gevolg is van de werkzaamheden. Volgens de registratierichtlijn die hierop van toepassing is, D017, zijn er een aantal risicofactoren voor het ontwikkelen van afwijkingen in de pols/handregio.
8. Ten aanzien van fysieke factoren betreft dit het voorkomen van extreme houdingen in het polsgewricht gedurende een aanzienlijk deel van de dag en het moeten vasthouden van handgereedschap of objecten in een knijp of grijppositie gedurende het langste deel van de dag. Verder is een herhaling van bewegingen van pols/hand of vingers gedurende het langste deel van de dag een risicofactor, net als het moeten verrichten van een hoge krachtinspanning gedurende een aanzienlijk deel van de dag, bijvoorbeeld door middel van handgereedschap. (…)
9. Als niet fysieke risicofactoren worden weinig hersteltijd per uur, waardoor hoge herhaling van bewegingen niet kan worden voorkomen, als risicofactor gezien, alsmede een hoge psychologische belasting en lage sociale ondersteuning.
10. Als ik vervolgens kijk naar de inventarisatie van de werkzaamheden, zoals beschreven in de ontvangen stukken, dan lijkt er geen sprake te zijn van bovengenoemde risicofactoren: er is voldoende afwisseling in het werk, er is geen sprake van repetitieve handelingen en/of het moeten uitoefenen van een forse kracht gedurende het grootste deel van de dag. Op basis van de informatie die mij nu ter beschikking staat kan ik dan ook geen medisch causaal verband leggen tussen de Quervain klachten van betrokkene en de werkzaamheden.
11. Ten aanzien van de CMC 1 artrose is dezelfde richtlijn van toepassing.
Daarin staat ook de definitie op basis waarvan men de diagnose osteoartrose mag stellen. Als eerste dienen de klachten aanwezig te zijn op minstens 4 van de afgelopen 7 dagen. Verder dient sprake te zijn van intermitterende pijn, lokaal of rond het gewricht, of lokale stijfheid na een rustperiode of een specifieke uitlokkende beweging gerelateerde oorzaak. Daarnaast dient er bij het testen ook sprake te zijn van een kapsulair patroon in beperkte passieve bewegingen van het aangedane gewricht en met name dit laatste zie ik in de ontvangen stukken niet terug.
12. In de richtlijn worden verder geen andere risicofactoren beschreven dan voor het ontstaan van de Quervain hetgeen betekent dat, nu ik deze niet aanwezig acht, ik ook geen onderbouwing zie voor een medisch causaal verband tussen de CMC 1 artrose beiderzijds en de werkzaamheden die betrokkene heeft verricht.
13. Zoals ik echter al aangaf ontbreken een aantal relevante stukken, met name van de bedrijfsarts, inclusief de open spreekuren, en de huisarts. Ook de informatie van het UWV en aanvullende informatie over de psychosociale problematiek, die een belangrijke rol lijkt te spelen in het beloop, ontbreekt.
2.10.
In het aanvullend medisch advies van [verzekeringsarts] van 29 april 2024 is onder meer het volgende vermeld:

Advies:
(…)
3.
Zoals ik echter reeds eerder aangaf is er sprake van klachten die zich, ook na staken van werkzaamheden, uitbreiden en veranderen in de loop van de tijd, hetgeen pleit tegen een beroepsgebonden aandoeningen.
4.
Daarnaast wordt nu ook de diagnose reumatoïde artritis genoemd (…), een aandoening die geen relatie heeft met werkzaamheden maar veroorzaakt wordt door een reactie van cellen van het eigen afweersysteem tegen lichaamseigen bestanddelen.
5.
Verder ontving ik de informatie vanuit de arbodienst, twee verschillende arbodiensten, en daaruit blijkt dat de oorzaak van de klachten volgens de bedrijfsarts niet gelegen is in de werkzaamheden gezien het feit dat hij dit specifiek aangeeft in de probleemanalyse. Evenmin zie ik dat er een melding is gedaan richting het NCVB.
6.
Samenvattend zie ik, ondanks de hoeveelheid aangeleverde stukken, geen reden om aan te nemen dat oorzaak van de klachten vooral gelegen is in de werkzaamheden: er is dus geen onderbouwing om uit te gaan van een beroepsgebonden aandoening.
2.11.
Bij e-mailbericht van 31 januari 2025 heeft [bedrijfsarts] onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven:

In geval van [eiseres] heb ik geen beroepsziekte melding gedaan.
Belasting in het werk speelde waarschijnlijk wel een rol, maar in vrijwel alle gevallen worden dergelijke klachten en beperkingen ook veroorzaakt door aanleg (genetisch), persoonlijke eigenschappen (bv hoog verantwoordelijkheidsgevoel, faalangst, stress management), activiteiten naast het werk (hobby’s, huishouden, etc), coping stijl (doorgaan in verkeerde houding, niet kunnen aanpassen aan signalen van lichaam).
2.12.
In het aanvullend medisch advies van [verzekeringsarts] van 20 oktober 2025 is onder meer het volgende vermeld:

Advies:
1.
U vraagt mij in het kader van een procedure een aantal nieuwe producties te beoordelen. Daarbij zal ik me beperken tot de medische stukken.
(…)
3.
Opvallend is dat er geen melding wordt gemaakt van reuma noduli, zwelling aan de handen die passen bij reuma, wel van noduli van Heberden en Bouchard. Dit zijn benige verdikkingen aan de eindkootjes van de vinger, respectievelijk van de distale en de proximale vingergewrichtjes, die door extra botafzetting ontstaan en niet door verdikking van de weke delen, zoals bij reuma het geval is.
4.
Ook valt op dat bij de beschrijving van het lichamelijk onderzoek wel wat zwelling van de DIP gewrichtjes wordt benoemd, maar er geen melding meer wordt gemaakt van de noduli van Heberden of Bouchard: deze worden enkel vermeld onder de anamnese hetgeen tegenstrijdig lijkt nu dit punt anamnestisch gegeven is, maar een “harde” onderzoeksbevinding.
5.
Bovendien zouden benige verdikkingen ook op röntgenfoto’s zichtbaar moeten zijn, maar is er beiderzijds van hand een röntgenfoto genomen waar een normale botstructuur wordt besproken met minimale duimartrose. Benige verdikkingen aan de DIP en/of PIP-gewrichten wordt niet beschreven hetgeen niet consistent is.
6.
Er wordt melding gemaakt van een positieve familieanamnese: de moeder van betrokkene is bekend met reumatische artritis. Echter, het beeld dat uit radiologisch onderzoek naar voren komt past eerder bij “enige artrose” en een peesontsteking in de duim.
7.
Daarbij wordt overigens aangegeven dat “bij continueren van patiënte haar werkzaamheden geen verbetering zal optreden” waarbij ik reeds eerder aangaf dat er geen enkele toetsing is geweest van de aard en inhoud van de daadwerkelijke werkzaamheden, maar men daarbij is uitgegaan van hetgeen betrokkene in de anamnese [heeft] vermeld.
8.
Bovendien is het in mijn optiek niet een verpleegkundig specialist en/of een reumatoloog die competent is om te bepalen of/in hoeverre er sprake is van arbeidsmogelijkheden, dit is voorbehouden aan de bedrijfsarts cq de verzekeringsarts.
9.
Blijft verder nog het gegeven dat in de beschrijving van de echo wordt aangegeven dat betrokkene in juni gevallen is, er sindsdien sprake is van tintelingen in de linkerarm en in het verloop van de nervus medianus. Informatie hierover ontbreekt nog steeds, net als de informatie van de huisarts waar ik in mijn vorige advies om verzocht.
10.
Ik ontving tevens een (gedeeltelijk) rapport van een commerciële (?) instelling die DNA-onderzoek heeft verricht en op basis daarvan een aantal conclusies trekt. In dit kader wil ik erop wijzen dat de meerwaarde van dit soort onderzoeken binnen de medische wereld discutabel is, met name omdat een verhoogde e/of verlaagde kans op een bepaalde aandoening niet betekent dat iemand deze wel of niet zal krijgen. De verdere beschrijving en adviezen zijn zeer algemeen en dit stuk geeft mij dan ook geen aanleiding om eerdere conclusies bij te stellen.
11.
Samenvattend leiden de ontvangen stukken niet tot andere invalshoeken of gezichtspunten. Ze bevatten geen onderbouwing voor de aanwezigheid van een beroepsgebonden aandoening, en in dat kader wil ik nogmaals verwijzen naar de visie van de bedrijfsarts die specifiek in de probleemanalyse aangeeft dat de oorzaak van de klachten niet gelegen is in de werkzaamheden.
(…)”.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden tijdens haar dienstverband, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 26.000,00 als voorschot op de nader vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente,
III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de nader vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente,
IV. [gedaagde] te veroordelen tot verstrekking van een belastinggarantie ten aanzien van de toe te wijzen schadevergoeding, op straffe van een dwangsom,
V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Kern van het geschil betreft de vraag of [gedaagde] op grond van artikel 7:658 BW Pro aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] in de uitoefening van haar werkzaamheden stelt te hebben geleden.
Juridisch kader
4.2.
In artikel 7:658 lid 1 BW Pro is bepaald dat de werkgever verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
Op grond van lid 2 is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
4.3.
In lijn met de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro dient de werknemer, die zijn werkgever aansprakelijk houdt voor een schending van diens zorgplicht, te stellen en - bij betwisting - te bewijzen dat hij gezondheidsschade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarnaast is het aan de werkgever om te stellen en - bij betwisting - te bewijzen dat hij zijn verplichting om voor een veilige werkplek en arbeidsomstandigheden te zorgen is nagekomen.
Arbeidsrechtelijke omkeringsregel
4.4.
Het gaat in deze zaak om het syndroom van De Quervain, CMC-1 artrose en reumatoïde artritis, zoals bij [eiseres] is vastgesteld. Deze aandoeningen hebben een multi-causaal ziektebeeld. Dat wil zeggen dat er meerdere mogelijke oorzaken kunnen zijn. Wil [eiseres] met succes een beroep doen op artikel 7:658 BW Pro, dan zal zij voldoende feiten en omstandigheden moeten stellen over haar werksituatie zodat op grond daarvan kan worden aangenomen dat haar klachten door die werksituatie (en niet door iets anders, bijvoorbeeld ook door omstandigheden in zijn privésituatie) zijn ontstaan.
4.5.
Bij gezondheidsschade die niet is veroorzaakt door een arbeidsongeval, zoals bij beroepsziekten, is niet altijd duidelijk of de oorzaak werkgerelateerd is. Om de werknemer tegemoet te komen in zijn stelplicht en bewijslast, hanteert de Hoge Raad de zogenoemde arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Voor toepassing daarvan moet de werknemer stellen en - bij betwisting - aannemelijk maken dat hij (1) bij het verrichten van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, en (2) dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten die door de blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. Als de werknemer daaraan voldoet, is de werkgever aansprakelijk, tenzij hij kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De omkeringsregel kan alleen worden toegepast als het causaal verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden niet te onzeker of te onbepaald is (vgl. HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 (
SVB/Van de Wege) en ECLI:NL:HR:2013:BZ1721
Lansink/Ritsma)). Is van de laatste situatie sprake, dan moet worden teruggevallen op de normale bewijsregels (stel- en bewijsplicht) van artikel 7:658 lid 2 BW Pro.
4.6.
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is.
Ad i. Blootstelling schadelijke werkomstandigheden
4.7.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij als gevolg van de zware werkomstandigheden bij [gedaagde] klachten aan handen, polsen, ellebogen en schouders is gaan ontwikkelen die tot De Quervain, CMC-1 artrose en reumatoïde artritis hebben geleid, zodat er voldoende aanleiding bestaat voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. [eiseres] stelt dat zij onder de volgende omstandigheden werk voor [gedaagde] verrichtte:
  • [eiseres] verrichtte 8 uur per dag werkzaamheden bij [gedaagde] , waarvan 4 tot 6,5 uur snijdwerkzaamheden (soms 2,5 uur aaneengesloten en dus zonder pauze), waarbij zij monotone en repeterende bewegingen maakte (meer dan tweemaal per minuut);
  • [eiseres] sneed gemiddeld 2.000 tot 3.000 en soms wel tot 5.000 kazen per dag,
  • de mal was niet goed (voor de lengte van [eiseres] ) afgesteld waardoor [eiseres] in een niet ergonomische houding (met haar handen en armen boven haar hoofd) snijdwerkzaamheden verrichtte, waarbij zij veel druk moest zetten (soms wel haar hele lichaamsgewicht);
  • de automatische snijdmachine was maar 1 tot 2 keer per week beschikbaar;
  • [eiseres] moest dagelijks pallets tillen waarop kazen van in totaal 200 tot 300 kilogram lagen;
  • [eiseres] moest dagelijks kazen tillen van 17 tot 18 kilogram (overbrengen van kazen van de pallet naar de werkplek en vervolgens naar de productielijn);
  • [eiseres] moest dagelijks mallen van 6 tot 8 kilogram uit hoge kasten halen;
  • [eiseres] verrichtte haar werkzaamheden onder hoge werkdruk;
  • er werd uitsluitend op verzoek van de werknemer gerouleerd in taak;
  • de werkomgeving was koud en vochtig;
  • [eiseres] droeg rubberen handschoenen die geen bescherming boden tegen de kou.
4.8.
Ter onderbouwing van haar stelling dat zij onder schadelijke omstandigheden moest werken, verwijst [eiseres] naar verschillende getuigenverklaringen van (oud)werknemers van [gedaagde] . [eiseres] stelt dat de richtlijnen uit de Registratierichtlijn Werkgerelateerde aandoeningen aan het bewegingsapparaat in de bovenste extremiteit (RSI) van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) ruimschoots zijn overschreden. [eiseres] stelt voorts dat zij volgens de NIOSH-methode - gelet op haar lengte en gewicht - maximaal 23 kilogram mocht tillen in optimale omstandigheden en in extra zware omstandigheden, zoals een lage temperatuur, maximaal 12 kilogram.
4.9.
[gedaagde] heeft de door [eiseres] geschetste werkomstandigheden gemotiveerd weersproken. [gedaagde] betwist met name de frequentie (aantal kazen dat per dag moest worden gesneden) en de intensiteit (aantal uur dat achter elkaar moest worden gesneden en aantal kilo’s dat moest worden getild) van de werkzaamheden. [gedaagde] heeft hiervoor onder meer verwezen naar het rapport van Cordaet van 18 september 2023 en getuigenverklaringen van (oud)werknemers van [gedaagde] .
4.10.
De kantonrechter overweegt het volgende.
4.11.
Hoewel niet ter discussie staat dat het werk dat [eiseres] verrichtte fysiek zwaar was, is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] de blootstelling aan schadelijke werkomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De door [eiseres] overgelegde getuigenverklaringen van (oud)werknemers van [gedaagde] zijn hiervoor, tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , onvoldoende. Verder geldt dat, zelfs al zou van de door [eiseres] geschetste werkomstandigheden worden uitgegaan, [eiseres] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de werkomstandigheden ook schadelijk konden zijn voor de gezondheid. De enkele verwijzing naar de Registratierichtlijn van het NCvB en de NIOSH-methode, zonder duidelijke toelichting daarop, is eveneens onvoldoende. Onder die omstandigheden had van [eiseres] een nadere onderbouwing mogen worden verwacht, maar die ontbreekt. Daarmee is niet aan het eerste vereiste voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voldaan.
Ad ii. Klachten kunnen zijn veroorzaakt door werkomstandigheden
4.12.
Ook aan het tweede vereiste is niet voldaan, omdat [eiseres] naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar klachten kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden. Vaststaat weliswaar dat bij [eiseres] De Quervain, CMC-1 artrose en reumatoïde artritis is vastgesteld, maar [eiseres] heeft geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat deze aandoeningen door de werkomstandigheden kunnen zijn veroorzaakt. [eiseres] stelt slechts dat [bedrijfsarts] mondeling tegen haar zou hebben gezegd dat het werk te zwaar was en dat zij daardoor ziek is geworden. Wat daar verder ook van zij, die stelling strookt in elk geval niet met de inhoud van het e-mailbericht van 31 januari 2025 van [bedrijfsarts] waarin zij aan [gedaagde] uitlegt waarom zij in het geval van [eiseres] geen melding van beroepsziekte heeft gedaan. Daartegenover staan onder meer de medisch adviezen van [verzekeringsarts] van 24 januari 2024 en 29 april 2024, die uiteen heeft gezet dat De Quervain en CMC-1 artrose niet in medisch causaal verband kunnen worden gebracht met de werkzaamheden die [eiseres] bij [gedaagde] verrichtte. Verder merkt [verzekeringsarts] op dat reumatoïde artritis een aandoening is die in het geheel geen relatie heeft met werkzaamheden. Hoewel [verzekeringsarts] bij het geven van de medisch adviezen van andere werkomstandigheden is uitgegaan dan hoe [eiseres] deze heeft geschetst, had het op de weg van [eiseres] gelegen om stukken te overleggen die haar standpunt kunnen ondersteunen en dat heeft zij niet gedaan.
4.13.
Het voorgaande leidt ertoe dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in dit geval niet van toepassing is en dat op [eiseres] de volledige bewijslast rust van haar stelling dat de gezondheidsklachten in de uitoefening van haar werkzaamheden zijn ontstaan. Pas als zij hierin is geslaagd, komt de vraag aan de orde of [gedaagde] de op haar rustende zorgplicht is nagekomen.
Causaal verband
4.14.
Onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverweging 4.12. is overwogen, oordeelt de kantonrechter dat een oorzakelijke relatie tussen de klachten van [eiseres] en de werkomstandigheden bij [gedaagde] op basis van het huidige dossier niet kan worden vastgesteld. [eiseres] heeft haar stelling dat er een causaal verband bestaat tussen haar klachten en haar werkzaamheden bij [gedaagde] op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl dat wel op haar weg had gelegen en niet valt in te zien waarom zij daartoe niet reeds in staat is geweest. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] en de op [eiseres] rustende stelplicht, heeft [eiseres] daartoe onvoldoende onderbouwd gesteld. Dat maakt dat de kantonrechter niet aan verdere bewijslevering toekomt.
Conclusie
4.15.
De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.
Proceskosten
4.16.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.442,50
(2,5 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.586,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.586,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
veroordeelt de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Nijenhuis en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.