Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6313

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
09/027630-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bankhelpdeskfraude, diefstal en computervredebreuk in vereniging

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor meerdere feiten van bankhelpdeskfraude (babbeltrucs), diefstal in vereniging en computervredebreuk gepleegd tussen augustus 2021 en augustus 2022. De verdachte maakte zich schuldig aan het op slinkse wijze verkrijgen van bankpassen, laptops, mobiele telefoons, tablets en geldbedragen van diverse slachtoffers, veelal ouderen, door zich voor te doen als bankmedewerker en gebruik te maken van valse namen en hoedanigheden.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het feit dat betrekking had op het bezit van middelen bestemd voor gewoontewitwassen, omdat dit niet wettig en overtuigend was bewezen. Voor de overige feiten werd verdachte schuldig bevonden. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de ernst, de georganiseerde aard van de feiten en de kwetsbaarheid van de slachtoffers.

De benadeelde partijen vorderden materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank kende de materiële schade toe, maar verklaarde de immateriële schadevorderingen niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing. Daarnaast werden diverse inbeslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer of teruggegeven aan de verdachte. De straf en schadevergoedingen zijn opgelegd met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden en eerdere veroordelingen van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk en gedeeltelijke toewijzing van materiële schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/027630-23
Datum uitspraak: 16 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Tuinenburg en van wat door de verdachte en haar raadsman mr. M.C. Jonge Vos naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na aanpassing en wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 maart 2026 – ten laste gelegd dat:
1
Zaak 2.6
zij op of omstreeks 26 en/of 27 januari 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het in artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht omschreven gewoonte witwassen, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten meerdere laptops, telefoons, Prepaid simkaarten en een headset bestemd tot het begaan van (phishing- en/of WhatsApp en/of bankhelpdesk)fraude en/of het gewoontewitwassen van de buit van die (phishing- en/of WhatsApp en/of bankhelpdesk)fraude, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden gehad (p. 155-189, p. 310-348, p. 378-480, p. 571-573 dossier);
2
Zaak 2.1
zij op of omstreeks 27 december 2021 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bankpas en/of een geldbedrag (1250 Euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of Rabobank, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen
- bankpas onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van
een valse naam, van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en/of door een
samenweefsel van verdichtsels, door zich te doen als [schuilnaam 1] van de Rabobank en/of
te zeggen dat er meerdere keren geprobeerd was om te pinnen vanaf de bankrekening van die [aangever 1] en/of dat de bankpas door de bank opgehaald zou worden, althans (telkens)
woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of naar de woning van die [aangever 1] te gaan,
- geldbedrag (1250 Euro) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een
valse sleutel, door gebruik te maken van die bankpas en bijbehorende pincode tot het gebruik waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s) niet gerechtigd was (p. 17-28, p. 49-53, p. 211-212 dossier);
3
Zaak 2.2
zij op of omstreeks 27 december 2021 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s)
voorgenomen misdrijf om een bankpas en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] en/of Rabobank, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van van het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, door zich te doen als mevrouw [schuilnaam 1] van de Rabobank en/of te zeggen dat de bankrekening van die [aangever 2] was gehackt en/of dat de bankpas door de bank opgehaald zou worden, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of naar de woning van die [aangever 2] te gaan en/of aldaar aan te bellen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid (p. 30-53, p. 212 dossier);
4
Zaak 2.4
zij op of omstreeks 4 april 2022 te Schiedam en/of Den Haag tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bankpassen, een laptop, mobiele telefoons, een tablet en/of 2000 Euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] en haar man [naam] en/of ABN Amrobank en/of ING-bank, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen
- bankpassen, laptop, mobiele telefoons en tablet onder haar/hun bereik heeft/hebben
gebracht door middel van het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid,
door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, door die [aangever 3] en haar man [naam] een mail te sturen uit naam van ICS Visa waarin stond dat online verificatie nodig was en/of zich voor te doen als medewerker van ICS was en te zeggen dat er iets niet goed was en/of zich voor te doen als [schuilnaam 2] van de ABN Amrobank die speciaal voor hulp aan oudere personen was en/of te zeggen dat er iets niet goed was met de bankrekening en/of dat er een bankmedewerkster langs zou komen die de code [code] zou opnoemen en/of naar de woning van de [aangever 3] te gaan en/of zich voor te doen als [schuilnaam 3] was en code [code] op te noemen en/of te zeggen dat die bankpassen, laptop, mobiele telefoons en tablet mee moesten om het probleem op kantoor op te lossen, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- die 2000 Euro, in elke geval dat geldbedrag, onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht
door middel van een valse sleutel, door (telkens) gebruik te maken van (een van) die
bankpas(sen) en bijbehorende pincode tot het gebruik waarvan zij, verdachte en/of haar
mededader(s) niet gerechtigd was (p. 68-105, p. 212-213 dossier);
5
Zaak 2.5.
zij op of omstreeks 26 april 2022 te Houten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten het/de computer(systeem) van die [aangever 4] en/of een webserver van de Rabobank met daarop het internetbankieren(account) van [aangever 4] , is binnengedrongen, door het doorbreken van een beveiliging en/of door een technische ingreep en/of met behulp van valse signalen of een valse sleutel en/of het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten door zich tegenover die [aangever 4] voor te doen als [schuilnaam 4] , medewerker van de Rabobank helpdesk te Eindhoven en/of die [aangever 4] onder valse voorwendselen te bewegen tot het installeren van ‘Anydesk’ op zijn computer(systeem) en/of het accepteren van een externe verbinding, waardoor zij, verdachte en/of haar medevedachte(n) toegang verkreeg/verkregen tot het/de computersyste(e)m(en) van die [aangever 4] en/of de zich daarop bevindende) online bankrekening(en)/online bankierenpagina(s) en/of die webserver van de Rabobank en/of door gebruik te maken van onrechtmatig verkregen inloggegevens van internetbankieren van die [aangever 4] en/of
daarmee in te loggen op de daadwerkelijke internetbankieren-omgeving / het onlinebankieren-account op de website van de Rabobank van die [aangever 4] (p. 107-152, p. 372-376, p. 213-214 dossier);
6
Zaak 2.7 en 2.8
zij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2021 tot en met 9 augustus 2022 te Veghel, Boekel, Uden, Arnhem en/of Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele [aangever 5] en/of [aangever 6] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen geldbedragen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) gebruik te maken van een bankpas en/of creditcard met bijbehorende pincode tot het gebruik waarvan zij, verdachte en/of haar mededaders niet gerechtigd was/waren (p. 481-541, p. 573-574 dossier).

3.De geldigheid van de dagvaarding

3.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 partieel nietig is, nu het begaan van fishing-, Whatsapp- of bankhelpdeskfraude geen misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging ten aanzien van dit feit geldig is.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Een dagvaarding moet een opgave inhouden van de ten laste gelegde feiten, met vermelding van de tijd en plaats waar de feiten zijn begaan en de wettelijke voorschriften waarbij de feiten strafbaar zijn gesteld. Die opgave mag niet innerlijk tegenstrijdig zijn en moet voldoende feitelijk en duidelijk zijn, in die zin dat de verdachte weet waartegen zij zich moet verdedigen. Of daaraan is voldaan, hangt af van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld en het procesdossier waarop zij is gebaseerd. Niet is gebleken dat niet is voldaan aan de vereisten die de wet aan een geldige dagvaarding stelt. Gezien de tekst van de tenlastelegging en het procesdossier moet het de verdachte duidelijk zijn geweest wat haar verweten wordt. Dat dit hier het geval is geweest blijkt ook uit het verloop van de zitting. Het verweer ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding wordt verworpen.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van al het tenlastegelegde.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Vrijspraak
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of het onder 1 tenlastegelegde feit is bewezen, moet komen vast te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen en informatiedragers (hierna: de middelen) bestemd waren tot het begaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.
Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had (HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503).
Uit het procesdossier en het verhandelde op de terechtzitting volgt dat de verdachte de middelen inderdaad voorhanden heeft gehad en zich bezig hield met (kortweg) oplichting. De middelen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm ook gericht op het plegen van fraude. Oplichting, onder feit 1 omschreven als phishing- en/of WhatsApp en/of bankhelpdesk-fraude, is echter geen feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.
De rechtbank is verder van oordeel dat op grond van het procesdossier en het verhandelende op de terechtzitting niet is komen vast te staan dat de verdachte deze middelen voorhanden heeft gehad teneinde deze middelen te gebruiken voor witwassen, laat staan voor gewoontewitwassen. Hiertoe bevat het dossier geen aanwijzingen.
De rechtbank is daarom met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
4.5.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten 2, 3, 4, 5, 6 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL 15002022271028, van de politie eenheid Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 611).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
t.a.v. feit 2
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 maart 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 4 januari 2022 (p. 17-19);
t.a.v. feit 3
3. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 maart 2026;
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 2 januari 2022 (p. 30-32);
t.a.v. feit 4
5. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 maart 2026;
6. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 4 april 2022 (p. 68-73);
t.a.v. feit 5
7. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 maart 2026;
8. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , opgemaakt op 29 april 2022 (p. 115-119);
t.a.v. feit 6
9. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 maart 2026;
10. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , opgemaakt op 8 september 2021 (p. 483-499);
11. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , opgemaakt op 12 augustus 2022 (p. 520-525).
4.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 2, 3, 4, 5, en 6 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
2
zij op 27 december 2021 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een bankpas en een geldbedrag (1250 Euro), die aan [aangever 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die/dat weg te nemen
- bankpas onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van
een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, door zich
voorte doen als [schuilnaam 1] van de Rabobank en te zeggen dat er meerdere keren geprobeerd was om te pinnen vanaf de bankrekening van die [aangever 1] en dat de bankpas door de bank opgehaald zou worden en naar de woning van die [aangever 1] te gaan,
- geldbedrag (1250 Euro) onder hun bereik hebben gebracht door middel van een
valse sleutel, door gebruik te maken van die bankpas en bijbehorende pincode tot het gebruik waarvan zij, verdachte, en haar mededaders niet gerechtigd
waren;
3
zij op 27 december 2021 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededaders voorgenomen misdrijf om een bankpas en geld,
dieaan [aangever 2] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, door zich
voorte doen als mevrouw [schuilnaam 1] van de Rabobank en te zeggen dat de bankrekening van die [aangever 2] was gehackt en dat de bankpas door de bank opgehaald zou worden, en naar de woning van die [aangever 2] te gaan en aldaar aan te bellen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
zij op 4 april 2022 te Schiedam en Den Haag tezamen en in vereniging met een of meer anderen, bankpassen, een laptop, mobiele telefoons, een tablet en 2000 Euro, die aan [aangever 3] en haar man [naam] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen
- bankpassen, laptop, mobiele telefoons en tablet onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, door die [aangever 3] en haar man [naam] een mail te sturen uit naam van ICS Visa waarin stond dat online verificatie nodig was en zich voor te doen als medewerker van ICS en te zeggen dat er iets niet goed was en zich voor te doen als [schuilnaam 2] van de ABN Amrobank en te zeggen dat er iets niet goed was met de bankrekening en dat er een bankmedewerkster langs zou komen die de code [code] zou opnoemen en naar de woning van
die[aangever 3] te gaan en zich voor te doen als [schuilnaam 3] en code [code] op te noemen en te zeggen dat die bankpassen, laptop, mobiele telefoons en tablet mee moesten om het probleem op kantoor op te lossen,
- die 2000 Euro onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van die bankpassen en bijbehorende pincode tot het gebruik waarvan zij, verdachte en haar mededaders niet gerechtigd waren;
5
zij op 26 april 2022 te Houten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk en wederrechtelijk in een gedeelte van een geautomatiseerd werk, te weten het computersysteem van [aangever 4] en een webserver van de Rabobank met daarop het internetbankierenaccount van [aangever 4] , is binnengedrongen, door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten door zich tegenover die [aangever 4] voor te doen als [schuilnaam 4] , medewerker van de Rabobank helpdesk te Eindhoven en die [aangever 4] onder valse voorwendselen te bewegen tot het installeren van ‘Anydesk’ op zijn computer en het accepteren van een externe verbinding, waardoor zij, verdachte en haar medeve
rdachten toegang verkregen tot het computersysteem van die [aangever 4] en de zich daarop bevindende online bankierenpagina’s en de webserver van de Rabobank en door gebruik te maken van onrechtmatig verkregen inloggegevens van internetbankieren van die [aangever 4] en daarmee in te loggen op de daadwerkelijke internetbankieren-omgeving op de website van de Rabobank van die [aangever 4] ;
6
zij in de periode van 25 augustus 2021 tot en met 9 augustus 2022 te Boekel, Arnhem en Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens een of meer geldbedragen die [aangever 5] en [aangever 6] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) gebruik te maken van een bankpas of creditcard met bijbehorende pincode tot het gebruik waarvan zij, verdachte en haar mededaders niet gerechtigd waren.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan zij reeds in voorarrest heeft gezeten. De oplegging van een hoge taakstraf acht de raadsman passend.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer één jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan zogenoemde bankhelpdeskfraude, waarbij verschillende goederen en geldbedragen zijn weggenomen. Door middel van babbeltrucs zijn van meerdere slachtoffers op slinkse en schaamteloze wijze mobiele telefoons, een laptop, een tablet en bankpassen/creditcards met de bijbehorende pincodes bemachtigd, waarna met de bankpassen en/of creditcards en de pincodes geldbedragen van de bankrekeningen van die slachtoffers zijn opgenomen. De verdachte en haar mededaders hebben op een georganiseerde en doortrapte wijze misbruik gemaakt van het gewekte vertrouwen bij hun veelal bejaarde slachtoffers. Dit soort feiten raakt de slachtoffers vanzelfsprekend in financiële zin, maar het is vooral hun gevoel van veiligheid en hun vertrouwen in de medemens die ernstig worden aangetast. Deze aantastingen leiden tot gevoelens van schaamte, stress en angst. Daarnaast is bankhelpdeskfraude een misdrijf dat het vertrouwen ondermijnt dat rekeninghouders in het algemeen in het betalingsverkeer en het bankwezen mogen hebben. Dit vertrouwen is van groot belang voor het maatschappelijk en economisch verkeer. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van haar handelen en enkel aan haar eigen financiële gewin gedacht. Op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat zij in deze periode kwetsbaar was, maar de rechtbank overweegt dat het vooral haar slachtoffers waren die in een kwetsbare positie verkeerden.
De verdachte heeft zich daarnaast ook schuldig gemaakt aan computervredebreuk en aan een poging tot oplichting. Dat het slachtoffer van deze potentiële oplichting niet financieel getroffen is, is een bijkomstigheid die hij aan zijn eigen oplettendheid te danken heeft.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 februari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat zij reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, te weten: het medeplegen van oplichting en diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een bericht van de reclasseringsbegeleider over de verdachte van 2 maart 2026, waaruit volgt dat de verdachte zich momenteel coöperatief opstelt en bereid is om voorwaarden en afspraken na te leven. Op meerdere leefgebieden is sprake van stabiliteit. De verdachte beschikt over zelfstandige huisvesting, beschikt over een baan en staat onder budgetbeheer. Dit bericht staat haaks op het reclasseringsadvies over de verdachte van 31 juli 2025 waaruit volgt dat de verdachte de bijzondere voorwaarden die aan haar zijn opgelegd overtreedt en dat er sprake is van problematiek op het gebied van psychosociaal functioneren en haar houding.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de feiten zijn gepleegd door diverse samenwerkende personen. Daarnaast had de verdachte een groot aandeel aan de feiten en was er sprake van planning en professionaliteit tijdens het plegen daarvan. Ook heeft de verdachte voor een lange periode misbruik gemaakt van persoonlijke gegevens en de kwetsbare positie van anderen. De rechtbank komt wel tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie en zal daarom een lagere straf opleggen dan door hem is geëist.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal daaraan de algemene voorwaarden verbinden. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

8.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Feit 4
[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 910,10, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 110,10 aan materiële schade en € 800,- aan immateriële schade.
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.800,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.000,- aan materiële schade en € 800,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [aangever 3] voor wat betreft de materiële schade en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor de immateriële schade. Ook de vordering van [benadeelde] is naar het oordeel van de officier van justitie voor het materiële gedeelte toewijsbaar en voor het immateriële gedeelte niet-ontvankelijk.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat zowel de vordering van [aangever 3] als van [benadeelde] toewijsbaar is. De verdachte is bereid de vorderingen tot schadevergoeding te betalen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1.
Vordering van [aangever 3]
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post van € 110,10 aan materiële schade, is namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met betaalbewijzen van 25 april 2022 voor het rijbewijs (€ 41,60) en van 4 mei 2022 voor het identiteitsbewijs (€ 68,50). Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 4 bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 110,10,-.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij haar vordering baseert op de grondslag van art. 6:106 sub b BW Pro, bestaande uit geestelijk letsel, dan wel een aantasting in de persoon “op andere wijze”. Voor zover de benadeelde partij haar vordering baseert op het bestaan van geestelijk letsel, heeft zij haar vordering onvoldoende onderbouwd. Zij heeft geen objectieve gegevens verschaft (zoals bijvoorbeeld een medisch-specialistisch rapport) waaruit volgt dat zij geestelijk letsel als gevolg van het feit heeft opgelopen. Ook voor een vergoeding voor een aantasting in de persoon “op andere wijze” bestaat geen grond. Niet kan worden gezegd dat de gevolgen van de diefstal door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en met een valse sleutel, gelet op de aard en ernst van de normschending, zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de data waarop de kosten voor het nieuwe rijbewijs respectievelijk het nieuwe identiteitsbewijs zijn gemaakt omdat de schade vanaf die datum is ontstaan. Dit betekent dat de wettelijke rente vanaf 25 april 2022 over € 41,60 en vanaf 4 mei 2022 over € 68,50 wordt toegewezen.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 110,10,- te vermeerderen met de wettelijke rente over € 41,60 vanaf 22 april 2022 en over € 68,50 vanaf 4 mei 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] .
7.3.2.
Vordering van [benadeelde]
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post van € 2.000,- aan materiële schade is namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 4 bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 2.000,-.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij haar vordering baseert op de grondslag van art. 6:106 sub b BW Pro, bestaande uit geestelijk letsel, dan wel een aantasting in de persoon “op andere wijze”. Voor zover de benadeelde partij haar vordering baseert op het bestaan van geestelijk letsel, heeft zij haar vordering onvoldoende onderbouwd. Zij heeft geen objectieve gegevens verschaft (zoals bijvoorbeeld een medisch-specialistisch rapport) waaruit volgt dat zij geestelijk letsel als gevolg van het feit heeft opgelopen. Ook voor een vergoeding voor een aantasting in de persoon “op andere wijze” bestaat geen grond. Niet kan worden gezegd dat de gevolgen van de diefstal door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en met een valse sleutel, gelet op de aard en ernst van de normschending, zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 april 2022, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde] .

9.De inbeslaggenomen voorwerpen

9.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over het beslag en heeft medegedeeld dat alle inbeslaggenomen voorwerpen reeds vernietigd zijn.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 7 genoemde voorwerp, te weten de Apple MacBook, zal worden teruggegeven aan de verdachte.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan [verdachte] gelasten van het op de beslaglijst onder 7 genoemde voorwerp, te weten de Apple MacBook computer van de verdachte.
Op grond van het onderzoek op de terechtzitting kan met betrekking tot de op de beslaglijst onder 3, 4, 6 en 9 genoemde voorwerpen, te weten drie telefoons en een computer, geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2, 5 en 8 genoemde voorwerpen, te weten telefoons en een computer met daarop een grote hoeveelheid aan programmatuur bestemd tot het begaan van phishing- en/of WhatsApp en/of bankhelpdesk-fraude, onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze voorwerpen bestemd zijn tot het begaan van de onder 4.6 bewezenverklaarde feiten en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of met het algemeen belang.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 63, 138ab, 311 van het Wetboek van
Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3, 4, 5, en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 2 en feit 4:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels en het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, meermaals gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels en het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels;
ten aanzien van feit 5:
computervredebreuk;
ten aanzien van feit 6:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
3 (DRIE) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
schorst de voorlopige hechtenis van de veroordeelde, met ingang van 16 maart 2026, onder de volgende voorwaarden, dat de verdachte:
- als de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven zich niet aan de
tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;
- zal meewerken aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht
aanbiedt voor het vaststellen van zijn identiteit;
- verplicht zal verblijven op het adres: [adres 1] ;
- geen strafbare feiten zal plegen;
- iedere adreswijziging van tevoren zal doorgeven aan de reclassering;
- aan iedere oproeping in deze zaak van de officier van justitie, de politie of de
rechtbank gevolg zal geven;
- zich gedurende de schorsing zal melden bij de Reclassering Nederland op het adres
[adres 2] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang deze reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht;
- gedurende de schorsing op geen enkele wijze - direct of indirect contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten en slachtoffers, zo lang het openbaar ministerie dit noodzakelijk acht;
- zal beschikken over een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk en/of scholing
zulks ter beoordeling van de reclassering.
de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (feit 4);
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 110,10 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over € 41,60 vanaf 22 april 2022 en over € 68,50 vanaf 4 mei 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 110,10 vermeerderd met de wettelijke rente over € 41,60 vanaf 22 april 2022 en over € 68,50 vanaf 4 mei 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (feit 4);
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 2.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan [verdachte] van het op de beslaglijst onder 7 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Computer, Apple Macbook (goednummer: PL1500-2023027956-2900305);
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 3, 4, 6, en 9 genoemde voorwerpen, te weten:
  • 1 STK Telefoontoestel, Samsung zwart (met goednummer: PL1500-2023027956-2900313);
  • 1 STK Telefoontoestel, Samsung zwart (met goednummer: PL1500-2023027956-2900295);
  • 1 STK Telefoontoestel, Apple IPhone 5 grijs (met goednummer: PL1500-2023027956-2900308);
  • 1 STK Computer, Acer (met goednummer: PL1500-2023027956-2900293);
verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2, 5 en 8 genoemde voorwerpen, te weten:
  • 1 STK Telefoontoestel, Samsung blauw (met goednummer: PL1500-2023027956-2900300);
  • 1 STK Telefoontoestel, Samsung blauw (met goednummer: PL1500-2023027956-2900298);
  • 1 STK Telefoontoestel, Samsung zwart (met goednummer: PL1500-2023027956-2900299);
  • 1 STK Computer, HP (met goednummer: PL1500-2023027956-2900304).
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Snoeijer, voorzitter,
mr. E.R.F. van Engelen, rechter,
mr. J.G. Bruinsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2026.