Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6398

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
12008891 RP VERZ 25-51028
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 RvArt. 6 sub b RvArt. 10:2 BWArt. 7:671 BWArt. 7:672 lid 11 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambassade van Oman moet werknemer billijke vergoeding en contractuele beëindigingsvergoeding betalen na onregelmatig ontslag

De werkneemster trad in 2006 in dienst bij de ambassade van Oman in Den Haag en had een arbeidsovereenkomst met een contractuele beëindigingsvergoeding. In 2007 en 2009 werden nieuwe arbeidsovereenkomsten gesloten zonder deze vergoeding, maar de werkneemster heeft niet afstand gedaan van haar recht hierop.

De ambassade beriep zich op immuniteit van rechtsmacht, maar de rechtbank oordeelde dat de werkzaamheden van de werkneemster louter administratief en ondersteunend waren en niet in zodanig functioneel verband stonden met consulaire of diplomatieke taken dat immuniteit van toepassing was.

De arbeidsovereenkomst werd onregelmatig opgezegd tijdens ziekte, zonder instemming van de werkneemster en zonder UWV-toestemming. De rechtbank kende daarom een billijke vergoeding toe van €59.160,97 bruto, een gefixeerde schadevergoeding van €14.790,24 bruto wegens niet inachtneming opzegtermijn, een transitievergoeding van €32.449,98 bruto en de contractuele beëindigingsvergoeding van €70.755,80 bruto.

De rechtbank wees het beroep op immuniteit af en veroordeelde de ambassade tevens in de proceskosten. De arbeidsovereenkomsten van 2007 en 2009 werden niet gezien als afstand van het recht op de oorspronkelijke beëindigingsvergoeding.

De uitspraak bevestigt dat diplomatieke immuniteit niet geldt voor werknemers met ondersteunende functies en benadrukt het belang van correcte ontslagprocedures, ook bij buitenlandse overheden.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de ambassade van Oman tot betaling van billijke vergoeding, transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en contractuele beëindigingsvergoeding aan de werkneemster wegens onregelmatig ontslag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
EiV/cd
Rep.nr.: 12008891 RP VERZ 25-51028
12 maart 2026
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster,
hierna: [verzoekster],
gemachtigde: mr. F.A.M. van Bree,
tegen
[verweerder], in het bijzonder zijn
Ministerie van Buitenlandse Zaken,
gevestigd te [plaats] ([land]),
verweerder,
hierna: [verweerder],
gemachtigde: mr. R.M. Berendsen.

1.Procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van 9 december 2025 met producties 1 t/m 15;
  • de akte van [verzoekster] met aanvullende producties 16 t/m 18;
  • het verweerschrift met producties 1 t/m 5;
  • de op de zitting voorgedragen pleitnotities van [verzoekster].
1.2.
Op 12 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [verweerder] is zijn gemachtigde verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.
1.3.
Vervolgens is de datum van de beschikking bepaald op vandaag.

2.Feiten

2.1.
[verzoekster] is op 3 juli 2006 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de ambassade van [verweerder] in Den Haag. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst vermeldt als functie van [verzoekster]: ‘
[functienaam 1]’. Het salaris bedroeg laatstelijk € 4.564,89 bruto per maand bij een arbeidsduur van 40 uur per week.
2.2.
De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 3 juli 2006 bevat in artikel 9 een Pro contractuele beëindigingsvergoeding. Dit artikel luidt, voor zover relevant, als volgt:

9. On termination of service employee shall be entitled to compensation as follows:
Half a months salary for each year of the first five years of actual service.
One months salary for each year of service but not to exceed year and a half (18 months). Compensation is calculated on basis of salary for last month employee worked.
2.3.
Op 23 november 2007 heeft [verweerder] de werknemers van de ambassade het volgende bericht (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):

Wij willen u graag informeren dat de ambassade bezig is met de invoering van het dertiende-maandsalaris, waarbij de einde-diensttijdbeloning wordt vervangen door het dertiende-maandsalaris.
Daarom delen wij u mee dat uw huidige dienstverband op 31 december 2007 wordt beëindigd. Daarmee wordt uw huidige arbeidsovereenkomst voortijdig stopgezet, en worden uw financiële rechten – namelijk de einde-diensttijdbeloning (vertrekvergoeding) van de voorgaande jaren en een contante vergoeding voor uw opgebouwde verlofsaldo tot en met 31 december 2007 – aan u uitbetaald.
U wordt aansluitend opnieuw geplaatst bij de ambassade in dezelfde functie, met behoud van uw huidige salaris en toelagen. Per 01 januari 2008 zal hiervoor een nieuwe arbeidsovereenkomst worden aangegaan.
2.4.
Partijen hebben op 5 december 2007 een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. In deze arbeidsovereenkomst is geen contractuele beëindigingsvergoeding opgenomen, maar wel het recht op een dertiende maandsalaris. [verzoekster] heeft vervolgens in 2008 een dertiende maandsalaris ontvangen.
2.5.
In een intern document van 23 juni 2009 schrijft de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van [verweerder] aan de ambassade (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):

Met verwijzing naar ambassadememorandum(…)
betreffende de implementatie van het socialezekerheidsstelsel voor werknemers en arbeiders per 01 juni 2009 wil het ministerie u graag het volgende meedelen:
1 - Het ministerie heeft een kopie van het nieuwe contract naar de juridische afdeling gestuurd voor juridisch advies. De juridische afdeling verklaarde dat er geen juridische bezwaren zijn, zolang de contractvoorwaarden volledig in overeenstemming zijn met de Nederlandse lokale wet- en regelgeving, en dat de Omaanse ambassade beter bekend is met deze wet- en regelgeving(…).
2 - Aangezien het huidige contract per 1 juni 2009 wordt vervangen door een nieuw contract, conform de Nederlandse wet- en regelgeving, dienen de diensten van medewerkers die onder dit systeem vallen, te worden beëindigd met ingang van 31 mei 2009, als einddatum van het huidige contract.
3 - De “einde-diensttijdbeloning” wordt uitbetaald op basis van het dertiende salaris over de periode van 01 januari 2009 tot en met 31 mei 2009.
(…)”
2.6.
Op 1 juni 2009 hebben partijen wederom een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. Deze arbeidsovereenkomst bevat geen contractuele beëindigingsvergoeding en geen recht op een dertiende maandsalaris. Wel is in de arbeidsovereenkomst opgenomen dat [verzoekster] recht heeft op een vakantietoeslag ter hoogte van 8 procent van het salaris.
2.7.
Een aantal werknemers van de ambassade, waaronder [verzoekster], heeft in 2015 een brief gestuurd aan de Minister van Buitenlandse Zaken van [verweerder]. In deze brief schrijven de werknemers (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):

Wij willen ook onze dank uitspreken voor de richtlijnen van Uwe Excellentie aan de relevante functionarissen van het geachte ministerie en de ambassade om het probleem naar tevredenheid op te lossen, nadat we sinds het ontstaan ervan in 2009, ondanks de eenvoud, de hoop hadden opgegeven en gefrustreerd waren geraakt bij het vinden van een oplossing.
Het probleem komt neer op twee punten:
Het sluiten van nieuwe arbeidsovereenkomsten als aanvulling op eerdere overeenkomsten conform Nederlands recht, inclusief het zogenaamde dertiende salaris.
Uitbetaling van de eindediensttijduitkering over de periode voorafgaand aan de nieuwe arbeidsovereenkomst. Wat dit laatste punt betreft (2), had het geachte ministerie eerder ingestemd met de uitbetaling van de eindediensttijduitkering door € 5.000 over te maken naar de bankrekening van elke werknemer en het resterende bedrag contant uit te betalen. Dit werd bevestigd door de advocaat die onlangs door de ambassade was aangesteld en die de juridische haalbaarheid ervan bevestigde. Bovendien had de ambassade deze regeling eerder geïmplementeerd in de zaken van voormalige werknemers, met de hulp van een Nederlandse advocaat. Deze regeling werd op vergelijkbare wijze geïmplementeerd in andere Omaanse ambassades, waaronder de ambassade in buurland België. Deze regeling werd echter niet geïmplementeerd in ons geval en we werden niet op dezelfde manier behandeld als onze voormalige collega’s op de ambassade en onze collega’s op andere ambassades met vergelijkbare omstandigheden.
Wij hebben nooit geklaagd over werkdruk, noch hebben wij andere toelagen, bonussen of secundaire arbeidsvoorwaarden geëist dan wat het ministerie zelf heeft besloten ons toe te kennen in het kader van de bovengenoemde regeling.(…)”
2.8.
Op 1 november 2021 heeft een groep werknemers van de ambassade opnieuw een brief gestuurd, dit keer aan de ambassadeur van [verweerder]. In deze brief schrijven zij – kort samengevat – dat de arbeidsovereenkomsten uit 2009 door [verweerder] zijn voorgelegd aan een Nederlandse belastingaccountant, die heeft laten weten dat deze in strijd zijn met de Nederlandse wet. Volgens de werknemers heeft [verweerder] vervolgens de verstrekte kopieën van de arbeidsovereenkomsten uit 2009 teruggenomen en is in 2017 aan een Nederlands advocatenkantoor opdracht gegeven om nieuwe overeenkomsten op te stellen. Door dit kantoor opgestelde arbeidsovereenkomsten zouden in 2019 ter goedkeuring zijn voorgelegd aan het ministerie. De werknemers verzoeken om vanwege het naderen van sommigen van hen van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanhoudende onzekerheid over het recht op een eindediensttijdbeloning en/of dertiende maandsalaris zo spoedig mogelijk over te gaan tot het sluiten van deze definitieve arbeidsovereenkomsten.
2.9.
[verzoekster] heeft een afschrift overgelegd van een overzicht dat op 12 mei 2022 door de [functienaam 5] van de ambassade van [verweerder] is voorbereid. Het overzicht vermeldt (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):
Einde dienstverbandkosten voor lokale medewerkers bij de ambassade van [verweerder] in Den Haag
Naam medewerker
Functie
Datum in dienst
Beëindigingskosten/ €
Mening medewerker
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[verzoekster]
[functienaam 1]
31-05-2009
29,783.00
[Handtekening]
2.10.
[verzoekster] heeft zich per 23 september 2025 bij [verweerder] ziekgemeld.
2.11.
[verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst per brief van 8 oktober 2025 opgezegd tegen 30 november 2025. In de ontslagbrief schrijft [verweerder]:

This decision has been made due to the redundancy of the Consular Official position within the Mission, as part of the Foreign Ministry ongoing restructuring and transition of consular operations to electronic systems. In recent months, these services have been progressively transferred to digital platforms, including authentication services, which are now fully processed online.

3.Het geschil

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter – na intrekking van het primaire verzoek – om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten (verkort en anders weergegeven):
bij wijze van voorlopige voorzienig:
1. voor de duur van het geding [verweerder] te veroordelen tot betaling van het salaris van € 4.564,89 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 30 november 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
en in de hoofdzaak [verweerder] te veroordelen tot betaling van:
2. een gefixeerde schadevergoeding van € 14.790,24 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
3. een billijke vergoeding van € 59.160,97 bruto;
4. een transitievergoeding van € 32.449,98 bruto;
5. de contactuele beëindigingsvergoeding van € 82.168,02, althans een in goede justitie te bepalen bedrag ter zake de contactuele beëindigingsvergoeding en/of het dertiende maandsalaris;
6. de op 12 mei 2022 overeengekomen vergoeding wegens beëindiging van het dienstverband van € 29.783,- netto en een bedrag van € 13.694,67 bruto voor het dertiende maandsalaris over 2022, 2023 en 2024.
3.2.
[verweerder] concludeert primair dat de kantonrechter zich onbevoegd moet verklaren vanwege aan [verweerder] toekomende immuniteit van rechtsmacht. Subsidiair concludeert [verweerder] tot afwijzing van de verzoeken met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt in de beoordeling ingegaan.

4.Beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
[verweerder] is een buitenlandse staat, zodat deze procedure een internationaal element bevat. Ongeacht het beroep van [verweerder] op immuniteit van rechtsmacht, waarop hierna zal worden ingegaan, moet de kantonrechter ook los daarvan ambtshalve toetsen of zij (internationaal) bevoegd is om van de verzoeken kennis te nemen. De verzoeken vinden hun grondslag in een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. De overeengekomen arbeid werd gewoonlijk verricht op de ambassade in Den Haag. De kantonrechter is daarom in deze procedure in beginsel bevoegd op grond van artikel 1 jo Pro. 6 sub b Rv.
4.2.
De kantonrechter dient ook ambtshalve vast te stellen welk recht op het geschil van toepassing is (art. 10:2 BW Pro). Partijen hebben niet gesteld dat een rechtskeuzebeding is overeengekomen. De arbeidsverhouding tussen partijen is tot stand gekomen vóór 17 december 2009, zodat het toepasselijk recht wordt beheerst door het Verdrag van de EEG inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO-verdrag). Op grond van artikel 6 lid 2 sub a van Pro dat verdrag is het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht van toepassing. In dit geval is dat Nederland. De kantonrechter zal de verzoeken daarom naar Nederlands recht beoordelen. De kantonrechter stelt vast dat partijen ook zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.
Het beroep op immuniteit faalt
4.3.
[verweerder] doet als vreemde staat een beroep op immuniteit van rechtsmacht. De kantonrechter stelt met betrekking tot dit verweer het volgende juridisch kader voorop.
4.4.
Op grond van artikel 13a van de Wet algemene bepalingen wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beperkt door in het volkenrecht erkende uitzonderingen. In artikel 11 lid 1 van Pro het Verdrag van de Verenigde Naties inzake immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (hierna: het VN-Verdrag) is bepaald dat een staat geen beroep kan doen op immuniteit van rechtsmacht ter zake een geding dat betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst tussen de staat en een natuurlijke persoon voor werkzaamheden die geheel of gedeeltelijk zijn verricht of dienen te worden verricht op het grondgebied van de andere staat. Op grond van lid 2 sub a van het artikel geldt hierop een uitzondering indien de werknemer is aangesteld voor het vervullen van bepaalde functies in de uitoefening van bevoegdheden van de overheid. Hoewel dit VN-Verdrag niet door Nederland is geratificeerd, wordt in de jurisprudentie aangenomen dat artikel 11 lid 2 aanhef Pro en sub a moet worden aangemerkt als een regel van internationaal gewoonterecht. De Nederlandse rechter is daarom aan die regel gebonden. [1]
4.5.
Om te bepalen of een werknemer is aangesteld voor het vervullen van bepaalde functies in de uitoefening van bevoegdheden van de overheid, moet gekeken worden naar de aard van de werkzaamheden. In Duitse rechtspraak van het
Bundesarbeitsgerichtis overwogen dat daarbij met name van belang is of de opgedragen taken in een functioneel verband staan met de diplomatieke of consulaire werkzaamheden van de vreemde staat en of om die reden de organisatievrijheid van de vreemde staat in het uitoefenen van zijn soevereine taken zou worden beperkt door een uitspraak van de rechter over de arbeidsverhouding. [2] Daarnaast kan de hiërarchische positie van de werknemer van belang zijn, waarbij geldt dat eerder immuniteit moet worden aangenomen ten aanzien van een werknemer met een leidinggevende en/of beleidsbepalende functie dan ten aanzien van een werknemer die louter ondersteunende werkzaamheden verricht. [3]
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat [verzoekster] geen leidinggevende of beleidsbepalende functie had. [verweerder] stelt dat [verzoekster] desondanks werkzaamheden heeft verricht die in functioneel verband staan met de consulaire werkzaamheden van de ambassade. [verzoekster] heeft werkzaamheden verricht voor de consulaire afdeling en voor de economische afdeling van de ambassade. Met betrekking tot de werkzaamheden voor de consulaire afdeling stelt [verweerder] dat deze, voor zover relevant, bestonden uit:
  • het verwerken en afgeven van visa;
  • het afgeven van laissez-passers;
  • het verwerken van paspoortaanvragen en het uitgeven daarvan.
[verweerder] stelt dat [verzoekster] bij deze werkzaamheden (direct) contact had met de Royal [land] Police, dat [verzoekster] de beschikking had over dossiers met persoonsgevoelige informatie van visum- en paspoortaanvragers en dat [verzoekster] kon beschikken over officiële stempels en blanco stukken waarmee de betreffende reisdocumenten konden worden vervaardigd.
4.7.
[verzoekster] betwist dat haar werkzaamheden in noemenswaardig functioneel verband stonden met de consulaire werkzaamheden van de ambassade. Volgens haar speelde zij slechts een administratieve rol in het verwerken en afgeven van de genoemde reisdocumenten. Zij voert aan dat haar taak met betrekking tot de reisdocumenten bestond uit het in ontvangst nemen van aanvragen en het stempelen van de reisdocumenten, nadat goedkeuring was verleend door een diplomaat. [verzoekster] betwist dat zij zelf vrij kon beschikken over de vereiste stempels of blanco stukken om deze documenten op te stellen. Deze bevonden zich volgens haar altijd in een afgesloten kast – waar zij de sleutel niet van had – en waren slechts door haar te gebruiken na toestemming en onder toezicht van een diplomaat. [verzoekster] voert aan dat zij daarnaast niet over de bevoegdheid beschikte om zelfstandig te kunnen communiceren met de Royal [land] Police. Volgens [verzoekster] verliep het contact met de Royal [land] Police uitsluitend via een afgesloten communicatiesysteem, waarvoor zij geen eigen inloggegevens had.
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder], gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [verzoekster], onvoldoende heeft onderbouwd dat de werkzaamheden die [verzoekster] voor de consulaire afdeling vervulde van zodanige aard zijn dat organisatievrijheid van [verweerder] in uitoefening van zijn consulaire taak zou worden beperkt door een uitspraak van de Nederlandse rechter over de arbeidsverhouding. [verweerder] verwijst ter onderbouwing zijn standpunt naar een tweetal verklaringen, waarvan één van de ‘
[functienaam 2]’ en de ander van de ‘
[functienaam 3]’ van de ambassade, waaruit volgens [verweerder] zou blijken dat [verzoekster] een sleutelrol speelde in het afgeven van reisdocumenten. [verzoekster] heeft echter een verklaring overgelegd van de ‘
[functienaam 4]’ van de ambassade waarin deze de door [verzoekster] geschetste gang van zaken bevestigt en aangeeft dat [verzoekster] een louter administratieve taak vervulde. De kantonrechter overweegt dat [verweerder] op de zitting ook niet heeft weersproken dat [verzoekster] geen zelfstandige bevoegdheid had om te beslissen over de afgifte van reisdocumenten en dat stempels en blanco stukken zich in een afgesloten kast bevonden waar [verzoekster] geen vrije toegang toe had. Bovendien staat vast dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] per 30 november 2025 heeft opgezegd omdat (kort gezegd) haar functie bij de consulaire afdeling vanwege toenemende digitalisering en automatisering overbodig zou zijn geworden. Het feit dat de functie van [verzoekster] bij de consulaire afdeling kennelijk kon worden geautomatiseerd past bij het door [verzoekster] geschetste beeld dat zij in wezen functioneerde als een administratief doorgeefluik en niet over enige zelfstandige bevoegdheid beschikte ten aanzien van de afgifte van reisdocumenten. [verweerder] heeft afgezien van de twee hiervoor genoemde verklaringen – die dus nadrukkelijk door [verzoekster] worden betwist – geen andere stukken overgelegd waaruit kan blijken dat de werkzaamheden van [verzoekster] wel in een zodanig functioneel verband stonden met de diplomatieke of consulaire werkzaamheden van de ambassade dat zij, door een uitspraak van de Nederlandse rechter, beperkt zou worden in de organisatievrijheid in het uitoefenen van die bevoegdheden. Door [verweerder] is bijvoorbeeld ook niets ingebracht waaruit blijkt dat [verzoekster] wel eigen inloggegevens had voor het communicatiesysteem van de Royal [land] Police of waaruit blijkt dat zij zelfstandig met de bevoegde autoriteiten in [verweerder] communiceerde over de afgifte van reisdocumenten.
4.9.
Verder heeft [verzoekster] vanaf 2018 werkzaamheden verricht voor de economische afdeling van de ambassade. [verweerder] stelt dat ook deze werkzaamheden moeten worden aangemerkt als werkzaamheden ter vervulling van bevoegdheden van de overheid. De kantonrechter overweegt dat [verzoekster] op de zitting onweersproken heeft gesteld dat haar werkzaamheid voor de economische afdeling slechts bestond uit het benaderen van door de ambassadeur geselecteerde bedrijven om te vragen of zij hem (of een andere diplomaat) konden ontvangen om economische samenwerking met [verweerder] te bespreken. [verzoekster] heeft enkele e-mails overgelegd die zij heeft gestuurd naar deze bedrijven. Daaruit blijkt dat zij bijvoorbeeld met de bedrijven afstemde op welke data en tijdstippen een afspraak kon worden ingepland en of bij een afspraak lunch beschikbaar zou zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt hieruit voldoende dat ook de werkzaamheden die [verzoekster] voor de economische afdeling van de ambassade verrichte een louter ondersteunende aard hadden en dat deze niet in zodanig functioneel verband stonden met de diplomatieke of consulaire werkzaamheden van de ambassade dat [verzoekster] daarmee een beleidsbepalende functie in de uitoefening van bevoegdheden van de overheid vervulde.
4.10.
De conclusie van de voorgaande overwegingen is dat [verweerder] zich niet op immuniteit van rechtsmacht kan beroepen met betrekking tot de verzoeken van [verzoekster]. De kantonrechter komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.
De billijke vergoeding
4.11.
De kantonrechter merkt allereerst op dat [verzoekster] in deze procedure geen vernietiging van de opzegging en wedertewerkstelling meer verzoekt. Aan bespreking van het verweer dat [verweerder] specifiek tegen die verzoeken heeft aangevoerd, namelijk dat uit artikel 11 lid 2 sub c en Pro d van het VN-Verdrag zou volgen dat in ieder geval deze verzoeken tegenover [verweerder] als vreemde staat niet kunnen worden toegewezen, komt de kantonrechter daarom niet toe.
4.12.
Met betrekking tot de verzochte billijke vergoeding heeft [verweerder] niet weersproken dat het de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd, omdat [verzoekster] niet met de opzegging heeft ingestemd en geen sprake is van één van de in artikel 7:671 BW Pro genoemde gevallen. Op grond van artikel 7:681 BW Pro is daarom een billijke vergoeding toewijsbaar.
4.13.
Voor het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval, waarbij het erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Daarbij kan (onder andere) rekening worden gehouden met de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, de te verwachten duur van de arbeidsovereenkomst indien beëindiging zou zijn uitgebleven, de mate van verwijtbaarheid van de werkgever en de (te verwachten) alternatieve inkomsten van de werknemer.
4.14.
[verzoekster] verzoekt een billijke vergoeding van € 59.160,97 bruto. Dat is een bedrag gelijk aan 12 maandsalarissen, vermeerderd met de vakantietoeslag. De kantonrechter overweegt dat [verweerder] in de opzeggingsbrief aan [verzoekster] heeft laten weten dat de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd vanwege het (vermeend) overbodig worden van de functie van [verzoekster]. [verweerder] heeft echter niet weersproken dat in ieder geval het werk dat [verzoekster] voor de economische afdeling van de ambassade verrichte nog steeds bestaat. Het is daarom niet gebleken (en ook niet gesteld) dat [verweerder] toestemming had kunnen krijgen van het UWV voor een opzegging op bedrijfseconomische gronden. Ook staat vast dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd kort na een ziekmelding en tijdens de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster]. Dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] na een dienstverband van meer dan 19 jaren op oneigenlijke gronden heeft opgezegd gedurende arbeidsongeschiktheid, acht de kantonrechter zeer ernstig verwijtbaar. De kantonrechter volgt [verweerder] ook niet in de stelling dat aan die ernstige verwijtbaarheid afbreuk zou doen dat [verweerder] als vreemde staat vrijelijk zijn consulaire organisatie moet kunnen inrichten en het daarom in de veronderstelling verkeerde na de opzegging een beroep te kunnen doen op immuniteit van rechtsmacht. Reeds hiervoor is immers overwogen waarom het beroep van [verweerder] op die immuniteit van rechtsmacht niet slaagt.
4.15.
De kantonrechter acht het door [verzoekster] verzochte bedrag in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden – en alle overige omstandigheden van het geval – billijk. Het verzochte bedrag van € 59.160,97 bruto wordt daarom toegewezen.
De gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding
4.16.
[verzoekster] verzoekt verder een gefixeerde schadevergoeding van € 14.790,24 bruto. Indien een werkgever bij ontslag de opzegtermijn niet in acht neemt, is de werkgever op grond van artikel 7:672 lid 11 BW Pro aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon dat de werknemer gedurende de opzegtermijn zou hebben verdiend. [verweerder] betwist niet dat het de tussen partijen geldende (wettelijke) opzegtermijn niet in acht heeft genomen. [verweerder] heeft ook de hoogte van de verzochte schadevergoeding niet weersproken. Het verzochte bedrag van € 14.790,24 bruto wordt daarom toegewezen. Over deze vergoeding wordt ook de wettelijke rente als onweersproken toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zijnde 30 november 2025.
4.17.
De wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat geen sprake is van loon in de zin van artikel 7:625 BW Pro.
4.18.
[verzoekster] verzoekt daarnaast de toekenning van een transitievergoeding. Op grond van artikel 7:673 lid 1 en Pro 7 BW is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is beëindigd, tenzij dit het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. [verweerder] heeft niet gesteld dat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster]. [verweerder] is daarom een transitievergoeding verschuldigd. [verweerder] heeft de hoogte van de verzochte vergoeding niet weersproken. Het verzochte bedrag van € 32.449,98 bruto wordt toegewezen.
De contractuele beëindigingsvergoeding
4.19.
[verzoekster] verzoekt ook betaling van de beëindigingsvergoeding uit artikel 9 van Pro de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 3 juli 2006. [verzoekster] stelt dat partijen weliswaar in 2007 en 2009 nieuwe arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan, maar dat [verzoekster] met het sluiten van die nieuwe overeenkomsten geen afstand heeft gedaan van haar recht op de beëindigingsvergoeding zoals aanvankelijk overeengekomen. Volgens haar heeft [verweerder] in ieder geval de arbeidsovereenkomst van 2009 weer ingetrokken, is door de jaren heen voortdurend tussen [verweerder] en de werknemers gediscussieerd over de wijze waarop de beëindigingsvergoeding alsnog uitgekeerd zou gaan worden en is de vergoeding ook daadwerkelijk door [verweerder] uitgekeerd aan twee (voormalig) collega’s van [verzoekster].
4.20.
[verweerder] betwist dat het de beëindigingsvergoeding verschuldigd is. [verweerder] stelt dat de beëindigingsvergoeding in de arbeidsovereenkomst van 2007 is vervangen voor het recht op een dertiende maandsalaris. Dit dertiende maandsalaris is vervolgens per 2009 weer vervangen voor het recht op een vakantietoeslag van 8 procent van het loon. [verzoekster] is door deze wijzigingen in een betere financiële positie komen te verkeren, omdat in de jaren vóór 2009 geen vakantietoeslag werd uitgekeerd door [verweerder]. [verzoekster] heeft bovendien voor deze wijzigingen getekend, heeft geen vernietiging van die overeenkomsten verzocht en deze zijn ook niet door [verweerder] ingetrokken, aldus [verweerder].
4.21.
De kantonrechter is van oordeel dat de beëindigingsvergoeding moet worden betaald zoals in de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 3 juli 2006 overeengekomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.22.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat op 5 december 2007 en 1 juni 2009 nieuwe arbeidsovereenkomsten zijn gesloten, waarin de beëindigingsvergoeding niet is opgenomen. [verzoekster] heeft geen vernietiging verzocht van de nieuwe arbeidsovereenkomsten en heeft ook anderszins niet (gemotiveerd) gesteld dat deze niet op een rechtsgeldige wijze tot stand zijn gekomen. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of het tekenen van de nieuwe arbeidsovereenkomsten door [verzoekster] zo moet worden uitgelegd dat zij daarmee afstand heeft gedaan van haar recht op de beëindigingsvergoeding.
4.23.
De kantonrechter stelt voorop dat in beginsel niet snel mag worden aangenomen dat een werknemer akkoord is gegaan met een wijziging van de arbeidsvoorwaarden in zijn nadeel. [verweerder] heeft in dit geval niet betwist dat met [verzoekster] niet is onderhandeld over het afschaffen van de beëindigingsvergoeding en dat het initiatief voor die wijziging is uitgegaan van [verweerder]. [verweerder] betwist wel dat deze wijziging in het nadeel is geweest van [verzoekster], omdat voor de beëindigingsvergoeding in de plaats is getreden dat [verzoekster] in 2008 een dertiende maand heeft ontvangen en zij sinds 2009 recht heeft op een vakantietoeslag van 8 procent van het loon. De kantonrechter overweegt echter dat [verzoekster] al sinds aanvang van de arbeidsovereenkomst op basis van de wet recht heeft op een vakantietoeslag gelijk aan (minimaal) 8 procent van het brutoloon. [4] [verweerder] stelt dat het vóór 2009 feitelijk nooit is overgegaan tot het betalen van dit vakantiegeld, omdat partijen voorafgaand aan 2009 niet van deze verplichting op de hoogte waren. Dat partijen op het punt van de vakantietoeslag niet bekend waren met de Nederlandse wet is echter een omstandigheid die in redelijkheid voor rekening en risico van [verweerder] dient te blijven.
4.24.
Uit het voorgaande volgt dat de door [verweerder] aangevoerde uitleg van de wijziging – namelijk dat de bovenwettelijke beëindigingsvergoeding is vervangen voor een eenmalig (in 2008) ontvangen dertiende maandsalaris en vervolgens voor uitbetaling van de wettelijke vakantietoeslag – wel degelijk een verslechtering van de financiële positie van [verzoekster] inhoudt: het recht op een bovenwettelijke beëindigingsvergoeding is immers verdwenen zonder dat daar iets voor de plaats is gekomen. Het ligt daarom niet voor de hand dat [verzoekster] met het ondertekenen van de arbeidsovereenkomsten van 2007 en 2009, als zij zich die verslechtering had gerealiseerd, daarmee akkoord zou zijn gegaan. Het is ook niet gesteld of gebleken dat [verweerder] [verzoekster] bij het tekenen van die overeenkomsten op deze verslechtering heeft gewezen. Daar komt bij dat [verzoekster] verschillende interne stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat na het sluiten van de arbeidsovereenkomst van 2009 het alsnog uitbetalen van de beëindigingsvergoeding tussen [verweerder] en de werknemers voortdurend onderwerp van discussie is gebleven. Ook niet gesteld of gebleken is dat [verweerder] in die discussie eerder het standpunt heeft ingenomen dat de beëindigingsvergoeding in zijn geheel niet meer zou worden uitbetaald. Deze discussie heeft bovendien geleid tot het overzicht van 12 mei 2022, waarin door de [functienaam 5] van de ambassade een inventarisatie is gemaakt van de uit te betalen bedragen. Hoewel beide partijen het er in hun primaire stellingen over eens zijn dat uitbetaling van de daarin genoemde bedragen niet als zodanig door [verweerder] is toegezegd, volgt uit dit overzicht, in samenhang met de overlegde interne stukken, in ieder geval dat [verweerder] kennelijk ook zelf in de veronderstelling verkeerde dat de werknemers (waaronder [verzoekster]) geen afstand hadden gedaan van hun recht op uitbetaling van een beëindigingsvergoeding.
4.25.
De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verzoekster] met het ondertekenen van de nieuwe arbeidsovereenkomsten van 2007 en 2009 afstand heeft gedaan van haar recht op uitkering van een beëindigingsvergoeding. De beëindigingsvergoeding zoals overeengekomen in artikel 9 van Pro de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst is daarom deel uit blijven maken van de tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarden. Het verzoek tot betaling van die vergoeding is daarom in beginsel toewijsbaar.
4.26.
[verweerder] heeft tegen de hoogte van de verzochte vergoeding aangevoerd dat [verzoekster] bij een dienstverband van 19 dienstjaren op grond van artikel 9 van Pro de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst recht heeft op een vergoeding gelijk aan 16,5 maandsalarissen en dat daarop in mindering dient te strekken het eenmalige dertiende maandsalaris dat [verzoekster] in 2008 heeft ontvangen. [verzoekster] heeft dit niet betwist. Een beëindigingsvergoeding gelijk aan 15,5 maal het laatstgenoten bruto maandsalaris wordt daarom toegewezen. Dat is een bedrag van € 70.755,80 bruto. [5]
4.27.
[verzoekster] heeft tot slot ook betaling verzocht van het bedrag genoemd in het overzicht van 12 mei 2022 en het dertiende maandsalaris over de jaren 2022, 2023 en 2024. Hoewel dit niet als zodanig in het petitum van het verzoekschrift vermeld staat, volgt uit de stellingen van [verzoekster] dat dit verzoek bedoeld is als een subsidiair verzoek in het geval betaling van de contractuele beëindigingsvergoeding uit de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst zou worden afgewezen. Aangezien dat verzoek wordt toegewezen, komt de kantonrechter aan dit subsidiaire verzoek niet toe.
4.28.
Verder wordt met deze beschikking reeds een eindoordeel gegeven in deze procedure. De verzochte voorlopige voorziening behoeft daarom geen bespreking.
Proceskosten
4.29.
[verweerder] krijgt in deze procedure ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoekster] worden begroot op:
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 1.154,00 (WWZ tegenspraak complex)
- nakosten
€ 144,00(plus eventueel de kosten van betekening)
Totaal € 2.030,00

5.Beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen een gefixeerde schadevergoeding van € 14.790,24 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
30 november 2025 tot de dag dat alles is betaald;
5.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen een billijke vergoeding van € 59.160,97 bruto;
5.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen een transitievergoeding van € 32.449,98 bruto;
5.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen de contractuele beëindigingsvergoeding van € 70.755,80 bruto;
5.5.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 2.030,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan een van de veroordelingen voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend;
5.6.
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. S.L.M Staals en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2026.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2022:1084, r.o. 3.2.4.
2.Bundesarbeitsgericht 14 december 2017, NZA 2018, 739.
3.ECLI:NL:PHR:2022:215, par. 2.8 e.v.
4.Artikel 15 Wet Pro minimumloon en minimumvakantiebijslag.
5.15,5 x € 4.564,89 bruto.