Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
acta iure imperii), waarvoor immuniteit wordt toegekend, en rechtshandelingen die de staat op voet van gelijkheid met particulieren is aangegaan (
acta iure gestionis), waarvoor geen immuniteit wordt verleend. [7]
Contracts of employment
acta iure imperiien
acta iure gestioniswordt in het algemeen weinig bruikbaar geacht bij arbeidsrechtelijke geschillen, omdat niet duidelijk is wat als de beslissende handeling
van de staatmoet worden aangemerkt. [15] Niettemin kan worden betoogd dat art. 11 lid Pro 2, sub a, VN-Verdrag voortbouwt op dit onderscheid, waarbij niet het handelen van de staat bepalend is, maar de aard van de werkzaamheden van de werknemer. Zijn deze werkzaamheden aan te merken als het uitoefenen van specifieke overheidstaken? [16]
opinio iurisweerspiegelt en daarmee als regel van internationaal gewoonterecht moet worden aangemerkt, zoals de VS betoogt. In de literatuur is gepoogd de praktijk van staten ten aanzien van het toekennen van immuniteit van jurisdictie in arbeidsgeschillen in kaart te brengen. [17] Uit deze analyses blijkt dat de statenpraktijk op dit punt lange tijd uiteenliep en weinig consistent was. [18] Vanaf 2005 kan een zekere convergentie worden waargenomen. [19] Zo heeft Garnett in 2015 aangetoond dat de staten in Europa, maar ook daarbuiten, in toenemende mate de restrictieve immuniteitsleer hanteren, waarbij de nadruk ligt op de vraag of de functie en de werkzaamheden van de werknemer de uitoefening van overheidsbevoegdheden behelzen. [20] Op basis van dit criterium kent de rechter doorgaans geen immuniteit van jurisdictie toe ten aanzien van arbeidsrechtelijke vorderingen van vertalers en tolken, ondersteunend administratief personeel, chauffeurs en personen die huishoudelijke diensten verrichten voor een ambassade of consulaat.
Naku/Litouwen en Zweden [35] was de vordering ingesteld door een medewerker van de Zweedse ambassade in Vilnius (Litouwen), die eerst secretariële werkzaamheden had verricht en later promotie had gemaakt tot cultuur-, informatie- en persofficier en haar instructies kreeg van de Zweedse diplomatieke staf. Het EHRM heeft overwogen:
Mahamdia/Algerije [37] en
ZN/Generalno konsulstvo na Republika Bulgaria [38] heeft het HvJEU overwogen dat het beginsel van immuniteit van jurisdictie niet in de weg staat aan de toepassing van de Verordeningen Brussel I [39] en Brussel I-bis [40] wanneer de werkzaamheden, die door een werknemer op een ambassade of consulaat zijn verricht, niet vallen onder de uitoefening van openbaar gezag en wanneer niet het gevaar bestaat dat de rechtsvordering nadelig is voor de belangen van de staat op het gebied van de veiligheid. [41] Het HvJEU heeft in deze arresten niet gerefereerd aan art. 11 VN Pro-Verdrag. In zijn conclusie vóór
Mahamdia/Algerijeheeft A-G Mengozzi vraagtekens geplaatst bij de opvatting van het EHRM dat art. 11 VN Pro-Verdrag het internationaal gewoonterecht weerspiegelt. [42]
Onderdeel 2.1-Ibetoogt dat het hof het beroep van de VS op immuniteit van jurisdictie had moeten toetsen aan de hand van de criteria van art. 11 VN Pro-Verdrag, dat naar Nederlandse opvattingen geldend internationaal gewoonterecht betreft. Nu art. 11 lid Pro 2, sub d, VN-Verdrag een verklaring van ‘the head of State, the head of Government or the Minister for Foreign Affairs of the Employer State’ vereist, en deze verklaring in dit geval ontbreekt, had het hof het beroep op immuniteit ongegrond moeten verklaren.
Onderdeel 2.1-IIklaagt dat het hof heeft miskend dat het VN-Verdrag een wijziging heeft gebracht in het tot dan toe in Nederland geldende volkenrecht en dat het VN-Verdrag is bedoeld als een uitputtende regeling, zodat geen plaats is voor uitbreiding op grond van een eenzijdige Nederlandse regel van gewoonterecht.
Onderdeel 2.2-IIklaagt dat nu de VS het rapport over de veiligheidsrisico’s van het hof niet behoefde te overleggen, werkneemster in haar verdediging c.q. stel-/bewijsplicht is geschaad en dat dit een schending van het recht op een eerlijk proces oplevert.
Onderdeel 2.4-Iis gericht tegen rov. 3.8, waarin het hof heeft geoordeeld dat het gegeven ontslag in de gegeven omstandigheden niet disproportioneel is. Het onderdeel klaagt dat het hof het expliciete verweer van werkneemster dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, heeft miskend en dat het hof dit verweer in het kader van de devolutieve werking opnieuw had moeten beoordelen.
Onderdeel 2.4-IIis eveneens gericht tegen rov. 3.8 en betoogt dat het hof heeft miskend dat het naar Nederlands recht mogelijk is om bij een geldig ontslag toch aanspraak te maken op een transitievergoeding.