ECLI:NL:RBDHA:2026:642

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.38065
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArtikel 8 EVRMArtikel 8:57 AwbVerordening (EU) 2018/1860Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit derdelander Oekraïne

Eiser, een Marokkaanse derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne en vanwege de inval in Oekraïne tijdelijke bescherming in Nederland genoot, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit beëindigde zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 en legde hem een terugkeerplicht op.

Eiser stelde dat het besluit prematuur was, in strijd met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, en dat er geen beoordeling van hardheidsclausule had plaatsgevonden. Ook voerde hij aan dat het terugkeerbesluit onterecht een SIS-signalering bevatte en dat zijn recht op familie- en privéleven werd geschonden.

De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag eindigen dan die van Oekraïners en dat het terugkeerbesluit aan de wettelijke vereisten voldoet. De bevriezingsmaatregel werd gezien als feitelijke opschorting en niet als rechtmatig verblijf, waardoor het vertrouwensbeginsel niet werd geschonden. De SIS-signalering was verplicht volgens EU-verordening. Er was geen sprake van een beschermenswaardig familie- of privéleven in Nederland.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en het terugkeerbesluit in stand blijft. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38065

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Inleiding

In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn/haar land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft het beroep bij uitspraak van 19 mei 2025 gegrond verklaard. [1]
Verweerder heeft vervolgens op 29 juli 2025 een nieuw terugkeerbesluit genomen.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 29 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken moet verlaten. Omdat er geruime tijd onduidelijkheid bestond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van het beëindigen van de tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. [2]
4. Eiser is het niet eens met dit terugkeerbesluit van 29 juli 2025. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiser handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel door terug te komen op de bevriezingsmaatregel, en handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. Ook handelt verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel nu er geen
beoordeling van de hardheidsclausule dan wel enige billijkheidsoverweging heeft plaatsgevonden. Voorts is het terugkeerbesluit in strijd met de Terugkeerrichtlijn [3] en is het besluit prematuur genomen. Eiser betoogt dat er geen reden is om een terugkeerbesluit met SIS-melding op te leggen. Hij heeft namelijk geen regels overtreden en eerdere terugkeerbesluiten zijn vernietigd. Verder beroept eiser zich op het recht op familie- en privéleven zoals neergelegd in artikel 8 van Pro het EVRM [4] .
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het terugkeerbesluit rechtmatig is. Eiser had op dat moment ook geen verblijfsvergunning of lopende verblijfsrechtelijke aanvraag. De bevriezingsmaatregel heeft niet te gelden als rechtmatig verblijf en staat dus niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg. Dat eiser gedurende zijn tijdelijke verblijf banden met Nederland heeft opgebouwd betekent niet dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op familie- of privéleven. Eiser heeft immers vanwege het tijdelijke karakter van zijn verblijfsrecht altijd rekening moeten houden met terugkeer.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In het arrest Kaduna en Abkez [5] en de daarop gevolgde einduitspraken van de Afdeling [6] van 23 april 2025 [7] en van 10 juli 2025 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam [8] is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het besluit van 29 juli 2025 is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Zijn asielaanvraag is bij besluit van 31 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Het terugkeerbesluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar zijn land waarvan hij de nationaliteit heeft. Daarmee voldoet het terugkeerbesluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn.
7. Eiser kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het terugkeerbesluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dan wel het evenredigheidsbeginsel. Zijn tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en hij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen. Bovendien is de tijdelijke bescherming die eiser genoot van rechtswege geëindigd. Eiser heeft niet nader geconcretiseerd waarom dit in zijn geval zou leiden tot strijd met het evenredigheidsbeginsel.
8. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
9. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/1860 [9] voeren de lidstaten in het SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en om de tenuitvoerlegging van terugkeerbesluiten te ondersteunen. Wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt onverwijld een signalering inzake terugkeer in het SIS ingevoerd.
10. De rechtbank stelt vast dat in deze bepaling dwingend is voorgeschreven dat de lidstaten verplicht zijn een betrokkene tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in het SIS. Daarom was verweerder verplicht om in het geval van eiser het terugkeerbesluit te registreren. [10] In wat eiser hiertegen aanvoert ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. De stelling van eiser dat hij geen regels heeft overtreden neemt niet weg dat verweerder (terecht) een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Anders dan eiser verder betoogt, zijn geen eerdere terugkeerbesluiten vernietigd. De rechtbank merkt tot slot nog op dat de SIS-registratie verdwijnt nadat eiser heeft voldaan aan zijn terugkeerplicht.
11. Op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Uit wat door eiser is aangevoerd kan echter niet worden opgemaakt dat hij in Nederland beschermenswaardig familie- of privéleven heeft opgebouwd zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
12. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het terugkeerbesluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
13. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het aangevulde terugkeerbesluit blijft in stand.
14. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 januari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025
3.Richtlijn 2008/115/EG.
4.Het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens.
5.Het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
6.De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.
10.Uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075.