ECLI:NL:RBDHA:2026:642
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit derdelander Oekraïne
Eiser, een Marokkaanse derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne en vanwege de inval in Oekraïne tijdelijke bescherming in Nederland genoot, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit beëindigde zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 en legde hem een terugkeerplicht op.
Eiser stelde dat het besluit prematuur was, in strijd met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, en dat er geen beoordeling van hardheidsclausule had plaatsgevonden. Ook voerde hij aan dat het terugkeerbesluit onterecht een SIS-signalering bevatte en dat zijn recht op familie- en privéleven werd geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag eindigen dan die van Oekraïners en dat het terugkeerbesluit aan de wettelijke vereisten voldoet. De bevriezingsmaatregel werd gezien als feitelijke opschorting en niet als rechtmatig verblijf, waardoor het vertrouwensbeginsel niet werd geschonden. De SIS-signalering was verplicht volgens EU-verordening. Er was geen sprake van een beschermenswaardig familie- of privéleven in Nederland.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en het terugkeerbesluit in stand blijft. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.