ECLI:NL:RBDHA:2026:655

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL24.45592
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid

Deze uitspraak betreft de afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) door de minister van Asiel en Migratie, ingediend namens eiseres, die als familie- of gezinslid bij haar dochter (referente) wilde verblijven. De minister heeft de aanvraag afgewezen op basis van het ontbreken van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak op 20 november 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar de gemachtigde van eiseres zich had afgemeld.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven dat beschermd moet worden. Eiseres, geboren in 1954 in Syrië en als staatloos aangemerkt, heeft aangevoerd dat zij afhankelijk is van haar dochter, die in Nederland verblijft. De minister heeft echter gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De rechtbank heeft de argumenten van eiseres beoordeeld, maar komt tot de conclusie dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat er geen beschermenswaardig familieleven bestaat.

De rechtbank heeft ook de argumenten van eiseres over de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheidssituatie en de banden met het land van herkomst overwogen. Eiseres heeft niet kunnen aantonen dat haar situatie zodanig is dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45592

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag die namens eiseres is ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij haar dochter (referente). De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen referente en eiseres in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen referente en eiseres dat beschermd moet worden. De minister heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Referente heeft namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiseres heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. Eiseres, geboren in 1954 in Syrië, is Palestijnse en wordt aangemerkt als ‘staatloos’. Zij is vanwege de oorlog is Syrië gevlucht naar Libanon. Referente, geboren op [geboortedatum] 1996, is in Nederland in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 18 februari 2022 heeft referente namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid bij referente. Volgens eiseres en referente is sprake van beschermingswaardig familieleven tussen eiseres als ouder en referente als haar meerderjarige kind. Referente stelt bij de aanvraag dat zij voor haar vertrek uit Syrië altijd met haar moeder heeft samengewoond. Ook is eiseres financieel afhankelijk van referente, omdat zij niemand heeft en ook geen beroep kan doen op andere personen of familieleden. Verder heeft eiseres diabetes, hoge bloeddruk en een aandoening aan haar lever waardoor zij afhankelijk is van de hulp van referente.
3.1.
Met het bestreden besluit van 25 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard. De minister stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referente en eiseres. Daarmee is er geen sprake van familie- en gezinsleven tussen referente en eiseres in de zin van artikel 8 van het EVRM. Omdat de minister geen familie- en gezinsleven aanneemt komt hij ook niet toe aan een belangenafweging.
Kennelijk ongegrond
4. Eiseres betoogt dat de minister het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Volgens eiseres volgt niet uit de bezwaargronden dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de conclusie van de minister. Ook heeft er een uitgebreide hoorzitting plaatsgevonden.
4.1.
De minister heeft op zitting toegelicht dat de vermelding dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, een schrijffout betreft. Eiseres is hierdoor niet in haar belangen geschaad, omdat er een hoorzitting heeft plaatsgevonden en er geen rechtsgevolgen verbonden zaten aan het kennelijk ongegrond verklaren van het bezwaar.
4.2.
Het standpunt van de minister slaagt: het gaat hier om een kennelijke verschrijving. Uit het bestreden besluit onder het kopje ‘conclusie’ volgt dat de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaart. Op de eerste pagina van het bestreden besluit staat vermeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard. Dit duidt erop dat het een kennelijke verschrijving betreft. Eiseres is door de minister gehoord. Ook zijn er zoals de minister terecht stelt geen rechtsgevolgen aan het kennelijke ongegrond verklaren van het bezwaarschrift verbonden. Hieruit volgt dat eiseres door deze verschrijving niet in haar belangen is geschaad.
Is sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referente en eiseres?
5. In geschil is of de minister zich voldoende gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt stelt dat tussen eiseres en referente geen sprake is van ‘further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties’. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan immers dan pas worden gesproken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen. [1]
5.1.
Eiseres betoogt dat er wel degelijk sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dat tussen haar en referente beschermingswaardig familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM. Zij voert daartoe een aantal argumenten aan. Die argumenten worden hieronder na het beoordelingskader besproken en beoordeeld.
Beoordelingskader
5.2.
In recente rechtspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) verduidelijkt dat familieleven kan bestaan tussen meerderjarige familieleden buiten het kerngezin, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het gaat er vooral om of er sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke.
5.2.1.
Het gaat dus niet alleen om de vraag of de relatie in emotioneel opzicht uitstijgt boven dat wat tussen volwassen familieleden gebruikelijk is. De minister moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Hij mag in deze beoordeling niet slechts betrekken of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, maar hij moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan.
5.2.2.
Voor de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan is niet vereist dat een vreemdeling zichzelf zonder een referent niet zou kunnen redden, of niet zou kunnen functioneren. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn.
5.2.3.
Het is aan de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen
van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend. [2]
Alle relevante feiten en omstandigheden
5.3.
Eiseres betoogt dat niet alle feiten en omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken. Evenmin heeft de minister alle feiten en omstandigheden op zichzelf gewogen en kenbaar in onderlinge samenhang bezien. Volgens eiseres heeft de minister het zwaartepunt van de beoordeling ten onrechte te veel op de (fysieke) medische afhankelijkheid van eiseres gelegd. Als onderbouwing van dit betoog verwijst eiseres naar twee uitspraken van de Afdeling. [3] Uit deze uitspraken volgt dat de minister een brede beoordeling van alle individuele omstandigheden dient te maken. Dit omvat niet enkel de medische omstandigheden, maar ook de financiële, materiele, emotionele en andere vormen van afhankelijkheid.
5.3.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft anders dan eiseres betoogt kenbaar alle relevante feiten en omstandigheden betrokken bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Alle feiten en omstandigheden – zowel in het voordeel als in het nadeel – zijn uiteindelijk als een geheel meegewogen. Het standpunt van eiseres dat de minister het zwaartepunt van de beoordeling te veel op de (fysieke) medische afhankelijkheid van eiseres heeft gelegd volgt de rechtbank niet.
Samenwoning
5.4.
Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de door referente afgelegde verklaringen in haar asielprocedure en in de mvv-aanvraag over de samenwoning met eiseres tegenstrijdig zijn met de verklaringen van de schoonzus van referente (de echtgenote van haar broer). Referente heeft altijd met eiseres samengewoond tot haar gedwongen vertrek in 2019. Ook heeft referente na het overlijden van haar vader in 2013 altijd voor eiseres gezorgd. De enige uitzondering is tijdens de studie van referente in Damascus. Referente woonde toen op de campus, maar ging zeer regelmatig terug naar eiseres. Nadat de schoonzus (in 2015) en broer (in 2016) van referente uit Libanon waren vertrokken, is referente naar eiseres in Libanon teruggekeerd. Dat de schoonzus en broer op enig moment hebben samengewoond met eiseres doet geen afbreuk aan de afhankelijkheid van eiseres ten opzichte van referente. Referente heeft eiseres nooit alleen gelaten tot haar gedwongen vertrek in 2019. Daar komt bij dat juist uit de verklaring van de schoonzus en broer van referente volgt dat eiseres zorg nodig heeft.
5.4.1.
Dit betoog slaagt niet. Het betoog van eiseres dat referente geconfronteerd had moeten worden met de tegenstrijdige verklaringen over wanneer referente, de zoon of de schoonzus na het overlijden van de vader in 2013 met eiseres samenwoonden volgt de rechtbank niet. De broer en schoonzus van referente hebben op 15 augustus 2016 een aanvraag namens eiseres ingediend voor een mvv. De minister wijst er terecht op dat het hier gaat om verklaringen afgelegd naar aanleiding van die eerdere mvv-aanvraag namens eiseres. Dat betekent dat ook die afgelegde verklaringen namens eiseres naar voren zijn gebracht. [4] Bij besluit van 27 juli 2017 heeft de minister die aanvraag afgewezen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het besluit van 27 juli 2017 op juiste wijze is bekend gemaakt en dat van referente verwacht mocht worden dat zij op de hoogte was van de inhoud van het besluit waarin dergelijke tegenstrijdigheden al worden vermeld.
5.4.2.
Verder stelt de minister zich op goede gronden op het standpunt dat onafgebroken samenwoning van eiseres met referente tot het gedwongen vertrek van referente in 2019 niet aannemelijk is geworden. Het is niet duidelijk met wie eiseres woonde vanaf het overlijden van haar echtgenoot. De schoonzus van referente heeft bij de mvv-aanvraag van 15 augustus 2016 verklaard dat zij samen met de broer van referente na het overlijden van de echtgenoot van eiseres bij haar inwoonde. Ook heeft zij verklaard dat er niemand anders was die voor eiseres kon zorgen en na vertrek van de schoonzus en broer eiseres zelfstandig woonde. Eiseres heeft verklaard dat zij in 2015 een opleiding [naam opleiding] in Damascus volgde en daarbij niet bij eiseres verbleef. Ook heeft zij verklaard dat zij in 2018 en 2019 als tandartsassistente in Syrië werkte. Kort daarna heeft zij Syrië verlaten. Weliswaar is het mogelijk dat referente een deel van de tijd met eiseres heeft samengewoond, maar de verklaringen en tegenstrijdigheden maken niet aannemelijk gedurende welke tijd dat heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid mocht de minister dit aan eiseres tegenwerpen.
Financiële afhankelijkheid
5.5.
Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet. De situatie van eiseres is veranderd. Eiseres heeft Zuid-Libanon verlaten en verblijft inmiddels in Beiroet, waardoor de financiële steun op afstand niet kan worden voortgezet. Referente kan alleen nog via via geld overmaken naar eiseres en niet meer via de officiële weg. Daarnaast betoogt eiseres dat de minister erkent dat referente haar financieel ondersteunt en dat dat relevant is voor de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Of de financiële ondersteuning kan worden voortgezet op afstand speelt volgens eiseres enkel een rol bij de belangenafweging.
5.5.1.
De rechtbank volgt het betoog van eiseres. Bij de beoordeling of sprake is van bijkomende element van afhankelijkheid is niet doorslaggevend of de financiële ondersteuning op een afstand kan worden voortgezet. [5] De vraag is waar dit betoog toe leidt. Anders dan eiseres lijkt te veronderstellen betekent dit niet dat daarmee al sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het EHRM heeft herhaaldelijk geoordeeld dat financiële afhankelijkheid een rol speelt bij het antwoord op de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. [6] Financiële afhankelijkheid op zichzelf heeft het EHRM echter nooit voldoende gevonden om te kunnen spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [7] Daartoe zijn meer elementen van belang. Het betoog treft daarom, gelet op wat de rechtbank verder hiervoor heeft geoordeeld en verder nog oordeelt, geen doel.
Mate van materiële afhankelijkheid
5.6.
Eiseres betoogt dat het enkele feit dat de broer en schoonzus van referente op enig moment met haar hebben samengewoond en voor haar hebben gezorgd geen afbreuk doet aan de afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Daaruit volgt juist dat eiseres zorg en ondersteuning nodig heeft. Daarnaast stelt zij dat het standpunt van de minister over de mate van materiële afhankelijkheid achterhaald is. Als gevolg van de oorlog tussen Israël en Libanon heeft eiseres Zuid-Libanon verlaten en verblijft zij in Beiroet. Eiseres zit in een schoolgebouw met twee voor haar onbekende gezinnen. Door haar vertrek naar Beiroet kunnen de buren die voorheen voor haar zorgden geen hulp meer bieden. Ook kan eiseres niet naar buiten en heeft zij geen toegang tot medische zorg. Het standpunt van de minister dat het gaat om asiel gerelateerde omstandigheden kan eiseres niet volgen. Ten tijde van het bestreden besluit was de oorlog al uitgebroken. Verder verwijst eiseres naar een uitspraak van de Afdeling [8] , waaruit volgt dat de minister wel degelijk rekening moet houden met toekomstige gebeurtenissen.
5.6.1.
Dit betoog staagt niet. De minister stelt zich op goede gronden op het standpunt dat onvoldoende is gebleken in hoeverre de zorg voor eiseres is voortgezet door de broer en de schoonzus van referente na het besluit van 27 juli 2017. Niet in geschil is dat referente, haar broer en schoonzus hier tegenstrijdig over hebben verklaard. Dat hier volgens referente een zorgbehoefte van eiseres uit blijkt, maakt nog niet dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente.
5.6.2.
Verder stelt de rechtbank voorop dat – zoals hiervoor onder 5.5.1 is overwogen – de situatie moet worden beoordeeld ten tijde van de aanvraag en het besluit. Op dat moment werd eiseres op afstand financieel ondersteund door referente en werd haar hulp geboden door buren. Hoewel al voorafgaand aan het bestreden besluit de oorlog al was uitgebroken, heeft eiseres op dat moment niet naar voren gebracht wat dat betekent voor de aanvraag. Dat had gelet op onder 5.2.3 wel op haar weg gelegen. De minister wijst er terecht op dat uit de verklaring van referente blijkt dat er reële hulp van derden voor eiseres is. Ook zonder tussenkomst van referente volgt uit de verklaring dat eiseres spontaan door mensen geholpen wordt die langskomen. Over de asiel gerelateerde omstandigheden wijst de minister terecht op het informatiebericht [9] , waaruit volgt dat overige omstandigheden die betrekking hebben op de uitoefening van familieleven ook betrokken worden bij de beoordeling van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het is echter niet gebleken dat de door eiseres genoemde overige omstandigheden gevolgen hebben voor de beoordeling van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Gezondheidssituatie
5.7.
Eiseres betoogt dat uit haar dossier blijkt dat haar medische klachten ernstig zijn en zij afhankelijk is van de zorg en ondersteuning van referente. Volgens eiseres heeft zij in april 2023 een episode gehad, waarna zij halfzijdig verlamd is geraakt. Eiseres heeft aangekondigd dat zij deze stelling met nadere stukken zal onderbouwen.
5.7.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres de gestelde ziekenhuisopname en gedeeltelijke verlamming niet met documenten heeft onderbouwd. Hoewel de rechtbank de moeilijke situatie van eiseres en referente begrijpt, heeft eiseres ook in beroep deze stukken niet overgelegd.
Banden met het land van herkomst
5.8.
Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij sterkere banden heeft met Syrië en Libanon dan met Nederland. Eiseres is vanwege de oorlog gevlucht uit Syrië. Zij verblijft sindsdien in Libanon, alleen is dit verblijf illegaal en kan zij elk moment worden uitgezet naar Syrië. Hierdoor kunnen de banden van eiseres met Libanon niet in het nadeel van eiseres uitvallen.
5.8.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich op goede gronden op het standpunt dat eiseres een sterkere band heeft met Syrië en Libanon dan met Nederland. De minister wijst er terecht op dat eiseres heeft verklaard dat zij haar hele leven afwisselend in Syrië en Libanon heeft gewoond en daarmee beide landen als ‘land van herkomst’ beoordeeld kunnen worden. Zij kent de taal, cultuur en het gebruikelijke daar. Het betoog van eiseres dat zij illegaal in Libanon verblijft en elk moment uitgezet kan worden maakt dat niet anders: het gaat hier om een onzekere toekomstige gebeurtenis.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op wat hiervoor onder 5.3 tot en met 5.8 is overwogen heeft de minister geen reden hoeven zien om in dit geval aan te nemen dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en referente dat beschermd moet worden. Dat eiseres een punt heeft over de beoordeling van de financiële ondersteuning maakt dit niet anders (zie onder 5.5.1). Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld EHRM 12 juni 2010, Khan tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606.
2.ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1189.
3.ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ABRvS 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.
4.Standpunt op de zitting.
5.Vergelijk EHRM 10 december 2024, Martinez Alvarado t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021, paragraaf 42.
6.EHRM 10 december 2024, Martinez Alvarado t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021, paragrafen 41 en 42.
7.Zie ABRvS 20 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:27458.
8.ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:345.
9.Informatiebericht 2024/57.