Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
De minister van Asiel en Migratie legde op 29 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Tunesische vreemdeling, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een concreet aanknopingspunt voor een overdracht op basis van de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan het toezicht.
Eiser voerde aan dat hij geen asielaanvraag in Oostenrijk had gedaan, geen claim-akkoord bestond en mogelijk een verblijfsvergunning in Italië had. De rechtbank oordeelde dat er voldoende concrete aanknopingspunten zijn voor overdracht aan Oostenrijk en Italië, waarbij het ontbreken van bewijs voor een verblijfsvergunning in Italië leidde tot het niet volgen van deze stelling.
De rechtbank stelde vast dat de minister de zware gronden 3a en 3b en de lichte grond 4c voldoende had gemotiveerd en dat er geen minder dwingende, effectieve maatregelen beschikbaar waren. De minister handelde voortvarend door snel een vertrekgesprek te voeren en informatie op te vragen bij Oostenrijk. De informatieplicht werd als voldoende nageleefd beoordeeld.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Dokkum op 14 januari 2026.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de bewaring van eiser wegens concreet aanknopingspunt voor Dublinoverdracht en significant risico op onttrekking.