ECLI:NL:RBDHA:2026:664

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.3403
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • O. El Kadi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000Art. 18 van de ProcedurerichtlijnArt. 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrechtArtikel 1, tweede lid, onder a, van het Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en ontbreken gegronde vrees vervolging

Eiseres diende op 9 februari 2022 een asielaanvraag in, die door de minister van Asiel en Migratie op 17 januari 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij voerde aan dat zij in Congo was mishandeld en verkracht door mannen van een hooggeplaatste generaal, en dat zij en haar gezin daardoor gevaar liepen. De rechtbank behandelde het beroep op 18 november 2025.

De rechtbank oordeelt dat het besluit van de minister zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd is genomen. De minister achtte het asielmotief identiteit en nationaliteit geloofwaardig, maar de verklaringen over de problemen met de generaal ongeloofwaardig vanwege inconsistenties, gebrek aan bewijsstukken en onduidelijkheden. Ook het late indienen van de asielaanvraag en het legaal verlaten van Congo spreken tegen de geloofwaardigheid.

Eiseres stelde dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in werkinstructie 2024/6 in strijd is met het Unierecht, maar de rechtbank volgt eerdere uitspraken en ziet geen strijdigheid. Verder was er geen noodzaak voor een forensisch medisch onderzoek. De rechtbank concludeert dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig risico op schade heeft aangetoond. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag blijft afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardigheid en het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3403

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Terpstra),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. Lohmann-Kamphuis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Zij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de asielaanvraag af te wijzen in stand kan blijven. Het door de minister gehanteerde beleid [1] is niet in strijd met het Unierecht en het besluit is zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd tot stand gekomen. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres ongeloofwaardig heeft verklaard over haar problemen in de Democratische Republiek Congo (Congo) met een hooggeplaatste generaal. Tot slot heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres bij terugkeer naar Congo geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. Eiseres heeft op 9 februari 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 januari 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij uit Congo komt, dat zij de Congolese nationaliteit heeft en dat zij tot de Mangala bevolkingsgroep behoort. De echtgenoot van eiseres was van 2015 tot 2019 in Congo werkzaam als chauffeur voor een hooggeplaatste generaal genaamd [naam generaal] en zijn tweede vrouw. Deze generaal zou de echtgenoot van eiseres hebben beschuldigd van het doorspelen van informatie over een door deze generaal zelf gepleegde misdaad. Als gevolg daarvan zou in 2019 bij eiseres thuis een inval hebben plaatsgevonden door mannen van [naam generaal]. Tijdens deze inval is eiseres verkracht en mishandeld. Ook haar kind is mishandeld en haar echtgenoot is meegenomen. Eiseres heeft naar aanleiding van de mishandeling en verkrachting ongeveer twee weken in een ziekenhuis gelegen en heeft Congo kort daarna in 2019 verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met [naam generaal].
4.1.
De minister acht het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De door eiseres gestelde problemen met [naam generaal] acht de minister ongeloofwaardig. De verklaringen van eiseres over de gestelde problemen met [naam generaal] vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. [2] Eiseres heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij gehuwd is en heeft hierover wisselend verklaard. Daarnaast heeft eiseres vaag verklaard over de gestelde tewerkstelling van haar echtgenoot voor [naam generaal]. Ook kon zij niet verklaren in welk ziekenhuis zij twee weken zou hebben gelegen. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiseres Congo zonder problemen legaal heeft kunnen uitreizen en dat zij pas vijf maanden na haar aankomst in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend. [3] Tot slot heeft eiseres bij terugkeer naar Congo geen gegronde vrees voor vervolging en loopt zij geen reëel risico op ernstige schade.
Is het beoordelingskader in strijd met het Unierecht?
5. Eiseres betoogt dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Eiseres verwijst in dit verband naar de (verwijzings)uitspraak van 7 januari 2025 [4] van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) zijn gesteld. Subsidiair heeft eiseres verzocht de onderhavige zaak aan te houden totdat de prejudiciële vragen zijn beantwoord.
5.1.
De rechtbank ziet, overeenkomstig de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025, geen aanleiding voor het oordeel dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. [5] Daarom bestaat ook geen aanleiding om het beroep in verband met de door zittingsplaats Roermond gestelde prejudiciële vragen aan te houden.
Is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
6. Eiseres betoogt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daartoe voert zij aan dat de minister de samenwerkingsverplichting heeft geschonden door de correcties en aanvullingen ten onrechte niet mee te nemen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, omdat het volgens de minister zou gaan om een geheel nieuwe verklaring in plaats van een correctie of aanvulling. Daarnaast voert eiseres aan dat in de procedure geen rekening zou zijn gehouden met het medisch advies, en daardoor ook niet met haar referentiekader. Ook zou eiseres zijn gehoord door IND-hoormedewerkers zonder specifieke training voor het horen van slachtoffers van seksueel geweld. [6]
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit zorgvuldig en voldoende deugdelijk gemotiveerd tot stand is gekomen. De minister heeft, gelet op de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, kenbaar gemotiveerd [7] waarom hij de correcties en aanvullingen niet bij zijn afweging heeft betrokken. Zo heeft de minister eiseres tegengeworpen dat zij met de correcties en aanvullingen nieuwe informatie naar voren heeft gebracht, waarvan niet is gebleken waarom zij daar in eerste instantie niet over heeft kunnen verklaren. Om die reden mocht de minister deze correcties en aanvullingen buiten beschouwing laten. Verder blijkt uit het dossier dat wel degelijk rekening is gehouden met het medisch advies en het referentiekader van eiseres. Zo is herhaaldelijk doorgevraagd en zijn er pauzes ingelast om eiseres de gelegenheid te geven haar verhaal te kunnen doen. Tot slot heeft de minister zich ter zitting niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat de IND-hoormedewerkers niet geschikt waren om de procedure te voeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Acht de minister de problemen van eiseres met [naam generaal] ten onrechte ongeloofwaardig?
7. Eiseres betoogt dat de minister haar verklaringen over de problemen met [naam generaal] ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daartoe voert eiseres aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij bij de AVIM [8] en het nader gehoor wisselende verklaringen heeft afgelegd over haar huwelijk met haar echtgenoot. Eiseres heeft bij de AVIM nooit verklaard dat zij ongehuwd is. Ook voert zij aan dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij tekort is geschoten op basale vragen doordat zij wel heeft verklaard welke ziekenhuizen er in Congo in haar omgeving bestaan, maar zij niet kan aangeven in welk ziekenhuis zij twee weken opgenomen is geweest. Verder zijn de minder gedetailleerde verklaringen van eiseres over hoe haar echtgenoot voor [naam generaal] kon werken en waarom hij van het doorspelen van informatie werd verdacht, haar ten onrechte tegengeworpen. Eiseres wijst erop dat zij ernstig is mishandeld en verkracht, en dat zij tijdens haar ziekenhuis opname in Congo in een shock verkeerde. Uit haar medisch dossier in Nederland blijkt dat zij daardoor getraumatiseerd is. De minister heeft hiermee geen rekening gehouden, terwijl dit juist mogelijke tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiseres kan verklaren.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres over de problemen met [naam generaal] geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [9] De minister mocht eiseres tegenwerpen dat zij in eerste instantie bij de AVIM [10] heeft verklaard dat zij ongehuwd is en in het nader gehoor heeft verklaard dat zij wel gehuwd is. [11] De minister heeft ook de verklaring van eiseres, dat zij enerzijds zeker weet dat zij bij de AVIM niet heeft verklaard dat zij ongehuwd is, maar dat zij vervolgens heeft verklaard dat zij zich weinig van het AVIM-gehoor kan herinneren, vanwege haar medische en psychische gesteldheid, terecht tegenstrijdig geacht. De door eiseres overgelegde foto’s waarop zij en haar echtgenoot te zien zouden zijn met hun dochter onderbouwen niet dat sprake is van een huwelijk. De minister heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hoewel eiseres gedetailleerd heeft kunnen verklaren over het werkverleden van [naam generaal], over dat hij een lichaam in stukken in een vriezer heeft geplaatst en over het feit dat haar echtgenoot naast chauffeur voor de tweede vrouw van [naam generaal], ook chauffeur was voor [naam generaal] zelf, niet valt in te zien waarom eiseres vanwege haar referentiekader in het nader gehoor niet in staat was meer informatie te verschaffen over de overstap van haar man naar de functie van chauffeur voor een hooggeplaatste functionaris, of over door wie en waarom hij werd verdacht. Dit kon eiseres in de correcties en aanvullingen wel, waarvan de rechtbank reeds onder 6.1. heeft geoordeeld dat die door de minister niet ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat eiseres niet kon verklaren in welk ziekenhuis zij twee weken opgenomen is geweest. Het feit dat het gehoor lang duurde, dat eiseres veel stress ervoer, emotioneel was en dat sommige vragen aan het eind van het gehoor werden gesteld, doet hier niet aan af. Ten slotte heeft de minister eiseres mogen tegenwerpen dat zij Congo legaal heeft verlaten en dat zij haar asielaanvraag niet onverwijld heeft ingediend, nu zij deze aanvraag pas vijf maanden nadat zij Nederland is ingereisd heeft gedaan. [12] De rechtbank is van oordeel dat de minister de gestelde problemen van eiseres met [naam generaal] niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister eiseres een Forensisch Medisch Onderzoek moeten aanbieden?
8. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in haar geval geen Forensisch Medisch Onderzoek [13] (FMO) hoefde te worden verricht naar de littekens en de psychische problemen. Eiseres voert daartoe aan dat zij in bewijsnood verkeert en dat het letsel het ‘enige’ beschikbare bewijs is om de gestelde problemen te onderbouwen. [14] Volgens eiseres had een FMO juist eventuele tegenstrijdigheden kunnen verklaren. Eiseres verwijst in dit verband naar het Barouk-arrest, waarin is geoordeeld dat rechtbanken in vergelijkbare gevallen ook een dergelijk deskundigenonderzoek kunnen gelasten. [15]
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen om af te zien van het FMO-onderzoek. De minister kijkt onder meer naar de aanwezigheid van significante fysieke en/of psychische sporen, maar ook naar de vraag of de uitslag van een FMO van doorslaggevend belang is voor de beslissing op de aanvraag. Daarom zal de minister zich vaak eerst een oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdeling moeten vormen, voordat beslist kan worden of een FMO relevant is. [16] Gelet op wat onder 7.1 is overwogen heeft de minister de problemen van eiseres met [naam generaal] op verschillende gronden ongeloofwaardig mogen achten. De verwijzing van eiseres naar het arrest Barouk maakt het voorgaande niet anders. Uit dat arrest volgt slechts dat de rechtbank de bevoegdheid moet hebben om een medisch onderzoek te gelasten. [17] Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Gegronde vrees voor vervolging en/of een reëel risico op ernstige schade?
9. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij bij terugkeer naar Congo geen gegronde vrees heeft voor vervolging en/of geen reëel risico loopt op ernstige schade. Het door eiseres ondervonden seksueel geweld past bij het beeld dat naar voren komt uit de landeninformatie over Congo. [18] Zij verwijst hierbij naar artikel 60 van Pro het Istanbul-verdrag [19] , dat voorschrijft dat gender gerelateerd geweld tegen vrouwen kan worden aangemerkt als een vorm van vervolging in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast voert eiseres aan dat, hoewel [naam generaal] voortvluchtig is, hij nog steeds invloed uitoefent in Congo. [20] Eiseres verwijst in dit verband naar een uitspraak [21] van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waaruit volgt dat de bewijslast in beginsel bij de vreemdeling ligt, maar dat van haar niet kan worden verlangd dat zij een onmogelijke bewijsopdracht uitvoert wanneer haar verklaringen deels worden ondersteund door landeninformatie.
9.1.
De rechtbank overweegt dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij bij terugkeer naar Congo een gegronde vrees heeft voor vervolging en/of een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook in de door eiseres aangehaalde uitspraak van het EHRM wordt dit uitgangspunt bevestigd. Onder 7.1. heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiseres gestelde problemen met [naam generaal], waaronder de mishandelingen en verkrachting, ongeloofwaardig zijn. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres persoonlijk door [naam generaal] wordt bedreigd. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Congo een gegronde vrees heeft voor vervolging en/of een reëel risico loopt op ernstige schade. Tot slot heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de algemene situatie in Congo op zichzelf onvoldoende is om een dergelijk risico aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
2.In de zin van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw 2000).
3.Hiermee heeft eiseres niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000.
4.MK van de Rb Den Haag, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136.
5.Rb Den Haag, deze zittingsplaats, van 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 en 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.
6.Rapport van Amnesty International 'seksueel geweld: blinde vlek in de asielprocedure?' van maart 2023, pagina 89.
7.ABRvS van 5 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1766 en ABRvS van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2615
8.Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel.
9.In de zin van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
10.Proces-Verbaal van verhoor van 9 februari 2022, pagina 3.
11.Verslag nader gehoor van 6 januari 2025, pagina 15.
12.In de zin van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000.
13.In de zin van artikel 18 van Pro de Procedurerichtlijn.
14.Rapport van Amnesty International, ‘Bewijsnood’, van november 2020, pagina 25 en het rapport van Amnesty International 'seksueel geweld: blinde vlek in de asielprocedure?' van maart 2023.
15.HvJEU 3 april 2025, Barouk, C-283/24, ECLI:EU:C:2025:236.
16.ABRvS van 5 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:898, r.o. 4.2, met verwijzing naar ABRvS van 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584.
17.Zie artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
18.Bijlage 3, 4 en 5 van de aanvullende gronden van beroep van 7 augustus 2025
19.Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
20.Bijlage 1 en 2 van de aanvullende gronden van beroep van 7 augustus 2025.
21.EHRM van 23 augustus 2016, J.K. en anderen t. Zweden GK, ECLI:CE:ECHR:2016:0823JUD005916612, punt 92.