ECLI:NL:RBDHA:2026:6879
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen voortduring maatregel van bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 9 oktober 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd eerder door de rechtbank getoetst in uitspraken van 24 oktober 2025 en 7 januari 2026, waarbij de maatregel tot dat moment rechtmatig werd bevonden.
De minister verzocht op 16 maart 2026 om beoordeling van de voortduring van de maatregel, omdat het beroep van eiser langer dan 75 dagen geleden was ingesteld. De rechtbank kwalificeerde deze vervolgkennisgeving als een nieuw beroep tegen het voortduren van de bewaring. Na sluiting van het vooronderzoek op 23 maart 2026 vond geen zitting plaats.
De rechtbank oordeelde dat sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 31 december 2025 geen onrechtmatigheid is gebleken in het voortduren van de maatregel. Eiser heeft geen nieuwe gronden aangevoerd en de door de minister verstrekte gegevens rechtvaardigen geen andere conclusie. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier J.M. van Kouwen en is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortduring van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard.