AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning wegens gevaar voor openbare orde en terugkeer naar Somalië
Eiser, met de Somalische nationaliteit, kreeg zijn verblijfsvergunning asiel ingetrokken wegens een gevaar voor de openbare orde, gebaseerd op zijn strafrechtelijke veroordelingen en gedragingen. De minister legde tevens een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn op, een inreisverbod en signalering in het SIS.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, omdat het besluit niet op juiste wijze per aangetekende post was bekendgemaakt en de beroepstermijn pas op 8 oktober 2024 begon. De minister mocht zich terecht op het standpunt stellen dat eiser voldoet aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium, ondanks betwisting door eiser over de ernst van zijn strafbare feiten en zijn gedragsverandering.
De intrekking van de verblijfsvergunning is evenredig en niet in strijd met artikel 8 EVRMPro, waarbij de rechtbank oordeelt dat eiser geen familie- en gezinsleven in Nederland heeft in de zin van artikel 8 EVRMPro. De sociale en culturele banden met Nederland wegen niet zwaarder dan het belang van de samenleving.
De rechtbank stelt vast dat eiser kan terugkeren naar Somalië zonder reëel risico op ernstige schade, ondanks de aanwezigheid van Al-Shabaab in delen van de regio Bay. De steden Dooygaab en Buurhakaba zijn niet in handen van Al-Shabaab en er zijn alternatieve reisroutes. Ook de beweringen over risico’s vanwege clanlidmaatschap, verwestering en willekeurig geweld slagen niet.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister bevoegd was het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de signalering in het SIS op te leggen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39266
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen
(gemachtigden: mr. A. Al-Edani en mr. N.N. Bontje).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ontvankelijk is en de intrekking van de verblijfsvergunning in stand kan blijven. Het intrekken van de verblijfsvergunning van eiser is evenredig en niet in strijd met artikel 8 vanPro het EVRM. Verder is het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 vanPro het EVRM loopt. Daarom mocht de minister de verblijfsvergunning van eiser intrekken. Dat heeft tot gevolg dat tegen eiser een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. In dat terugkeerbesluit mocht de minister aan eiser een vertrektermijn onthouden. In het verlengde daarvan was de minister gehouden eiser ook een inreisverbod op te leggen en hem in het Schengeninformatiesysteem (SIS) te signaleren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat hoe de intrekking van de verblijfsvergunning tot stand is gekomen en waarom de minister de verblijfsvergunning van eiser heeft ingetrokken. Vanaf overweging 4 volgt de beoordeling door de rechtbank. Daarin gaat de rechtbank eerst in op de ontvankelijkheid van het beroep van eiser en daarna, vanaf overweging 6, op de beroepsgronden die hij tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd.
Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 augustus 2024 de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht tot 15 april 2021 ingetrokken, hem een zwaar inreisverbod opgelegd en hem in het SIS gesignaleerd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Verder hebben [persoon A] (een broer van eiser), [persoon B] (een broer van eiser) en [persoon C] (de gestelde vriendin van eiser) als getuigen aan de zitting deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1998. Met het besluit van 26 juni 2013 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het kader van nareis. [2] Deze verblijfsvergunning was geldig van 26 juni 2013 tot 26 juni 2018. Pas na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning heeft eiser om verlenging gevraagd. Daarom heeft de minister eiser met het besluit van 21 december 2018 opnieuw in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning was geldig van 5 oktober 2018 tot 5 oktober 2023. Dat betekent dat eiser in de tussenliggende periode van 26 juni 2018 tot 5 oktober 2018 geen rechtmatig verblijf in Nederland had (een zogenoemd verblijfsgat). Met het besluit van 15 februari 2024 heeft de minister deze verblijfsvergunning verlengd tot 5 oktober 2028.
3.1.
De minister heeft aan de intrekking van de verblijfsvergunning ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dat blijkt volgens de minister uit het feit dat eiser, gezien de door hem gepleegde misdrijven en daarvoor opgelegde straffen, voldoet aan de norm van de zogenoemde ‘glijdende schaal’ van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Gelet op deze veroordelingen en gelet op het feit dat eiser door zijn gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, vindt de minister de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser kan terugkeren naar Somalië, omdat er geen aanwijzingen zijn dat hij daar zal worden vervolgd of dat hij daar een reëel risico op ernstige schade zal lopen. Tot slot vindt de minister de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd met artikel 8 vanPro het EVRM. De minister kan niet vaststellen of eiser familie- en gezinsleven heeft. De intrekking heeft wel gevolgen voor eisers privéleven, maar die wegen volgens de minister minder zwaar dan het belang van de samenleving bij beëindiging van eisers verblijf. De minister heeft de verblijfsvergunning van eiser daarom ingetrokken, een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn uitgevaardigd, eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd en hem in het SIS gesignaleerd.
Is het beroep ontvankelijk?
4. Het bestreden besluit is genomen op 28 augustus 2024. De beroepstermijn was vier weken. [3] Het beroep is pas op 8 oktober 2024 ingesteld. De rechtbank moet daarom allereerst de vraag beantwoorden of het beroep van eiser ontvankelijk is.
5. Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. [4] Als het besluit is gericht tot één of meer belanghebbenden (zoals het bestreden besluit), dan moet het besluit worden bekendgemaakt door dit toe te zenden of uit te reiken aan deze belanghebbenden. [5] Dat betekent dus ook dat de beroepstermijn pas aanvangt op het moment dat het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De rechtbank moet daarom eerst ingaan op de vraag of het besluit op 28 augustus 2024 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
5.1.
Eiser voert in dit kader aan dat het bestreden besluit pas op 8 oktober 2024 aan hem is bekendgemaakt, omdat hij pas toen een e-mail kreeg van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) waarin stond dat zijn verblijfsvergunning was ingetrokken. Het is volgens eiser niet gebleken dat het besluit vóór dat moment op juiste wijze aan hem is bekendgemaakt. Het bestreden besluit is weliswaar per aangetekende post verstuurd aan het adres waarop eiser stond ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) en uiteindelijk aan de minister retour gezonden omdat eiser de zending niet op een PostNL-punt heeft afgehaald, maar uit het dossier blijken geen trackinggegevens van deze zending. In het dossier bevindt zich slechts de verzendenvelop met enkele stickers van PostNL. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat PostNL de zending heeft aangeboden aan het adres van eiser en ook niet dat de postbezorger een afhaalbericht heeft achtergelaten omdat eiser niet thuis was, zodat niet kan worden vastgesteld dat PostNL de zending op regelmatige wijze heeft aangeboden. Daar komt nog bij dat de laatste tijd veel problemen zijn met de bezorging van aangetekende post. [6]
5.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De minister stelt dat het bestreden besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt door toezending van het besluit aan het adres waarop eiser in de BRP stond ingeschreven. De minister wijst er daarnaast op dat het inreisverbod is gepubliceerd in de Staatscourant. Het ligt, anders dan de rechtbank Midden-Nederland in haar uitspraak heeft overwogen, op de weg van eiser om te onderbouwen dat PostNL geen afhaalbericht heeft achtergelaten, [7] en daarin is eiser niet geslaagd. Uit de verzendenvelop blijkt bovendien duidelijk hoe de postbezorging is verlopen. Het is daarnaast niet vreemd dat er geen trackinggegevens (meer) beschikbaar zijn, omdat deze gegevens niet voor altijd beschikbaar blijven.
5.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat onvoldoende is gebleken dat het bestreden besluit eerder dan op 8 oktober 2024 aan eiser is bekendgemaakt. Als een besluit per aangetekende post is verzonden en de ontvanger de ontvangst daarvan ontkent, dan moet worden onderzocht of het postbedrijf de zending op regelmatige wijze aan het adres van de ontvanger heeft aangeboden. Laat het interne systeem van het postbedrijf zien dat de bezorger het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht heeft achtergelaten, dan rechtvaardigt dat het vermoeden dat de zending op regelmatige wijze is aangeboden. Ontkent de ontvanger vervolgens de regelmatige wijze van aanbieden vervolgens, dan ligt het op zijn weg om feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het stuk is ontvangen of aangeboden. [8] Met betrekking tot de verzending van het bestreden besluit bevindt zich in het dossier slechts een verzendenvelop. Daaruit volgt dat het bestreden besluit op 30 augustus 2024 naar een PostNL-punt is verzonden, daar vanaf 31 augustus 2024 kon worden afgehaald en op 15 september 2024 aan de minister retour is verzonden, omdat de envelop niet is afgehaald. Maar dat betekent nog niet dat de bezorging van het bestreden besluit ook op regelmatige wijze is verlopen. Daarvoor is immers vereist dat de postbezorger het bestreden besluit (éérst) op het adres van eiser uitreikt en, als daar niemand aanwezig is, een afhaalbericht achterlaat. Om te kunnen vaststellen of dat is gebeurd, is inzage in de trackinggegevens van de zending vereist. Dat is echter niet mogelijk, omdat die gegevens niet langer beschikbaar zijn op de website van PostNL en zich geen schermafbeelding van die gegevens in het dossier bevindt (zoals bij het voornemen wel het geval is). Onder die omstandigheden kan niet worden uitgegaan van het vermoeden dat het bestreden besluit op regelmatige wijze is aangeboden, zodat niet kan worden vastgesteld dat het bestreden besluit door toezending daarvan aan eiser is bekendgemaakt. De rechtbank ziet verder geen reden om te twijfelen aan de stelling van eiser dat hij pas op 8 oktober 2024 door een e-mail van de DT&V met het bestreden besluit bekend is geworden. De enkele omstandigheid dat het inreisverbod in de Staatscourant is gepubliceerd, zoals de minister heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders. Deze publicatie behelst immers slechts de bekendmaking van het aan eiser opgelegde inreisverbod, en niet van de intrekking van de verblijfsvergunning. Uit die publicatie had eiser daarom niet kunnen en hoeven afleiden dat met datzelfde besluit (ook) zijn verblijfsvergunning is ingetrokken.
5.4.
Het voorgaande betekent dat de beroepstermijn niet eerder is aangevangen dan op 8 oktober 2024. Omdat het beroepschrift van dezelfde datum is en daarmee binnen de onder 4 genoemde beroepstermijn van vier weken is ingediend, is het beroep van eiser ontvankelijk.
Omvang van het geding en leeswijzer
6. De minister heeft zich, zoals hiervoor overwogen, op het standpunt gesteld dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt, omdat eiser voldoet aan de norm van de glijdende schaal uit artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb 2000. Eiser heeft dat niet betwist. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de minister in ieder geval bevoegdwas om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken, omdat is voldaan aan de voorwaarde voor intrekking uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Eiser heeft wel betoogd dat de minister in zijn geval niet van die bevoegdheid gebruik mocht maken. Eiser heeft namelijk betoogd dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning onevenredig is, in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM en dat hij in Somalië een reëel risico op ernstige schade loopt. Verder heeft eiser betoogd dat de minister hem in het kader van het terugkeerbesluit geen vertrektermijn mocht onthouden en hem geen inreisverbod mocht opleggen.
6.1.
De minister werpt in alle door eiser betwiste elementen van het bestreden besluit aan eiser tegen dat hij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (het zogenoemde Unierechtelijke openbare-ordecriterium). Eiser is het daar niet mee eens. Daarom beoordeelt de rechtbank eerst of de minister zich op dat standpunt mocht stellen (onder 7). De rechtbank beoordeelt daarna of de intrekking evenredig is (onder 8), of de intrekking in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM (onder 9 tot en met 12) en of eiser in Somalië een reëel risico op ernstige schade loopt (onder 13 tot en met 16). Tot slot beoordeelt de rechtbank of de minister tegen eiser een terugkeerbesluit mocht uitvaardigen en hem in dat terugkeerbesluit een vertrektermijn mocht onthouden, of de minister eiser een inreisverbod mocht opleggen en of de minister in het SIS mocht signaleren (onder 17).
Voldoet eiser aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium?
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium voldoet. In de eerste plaats stelt eiser dat de door hem gepleegde strafbare feiten niet voldoende ernstig zijn en daarom geen fundamenteel belang van de samenleving hebben aangetast. Eiser heeft nooit geweldsdelicten tegen personen gepleegd en bovendien zijn diefstal en (straat)handel in drugs op zichzelf onvoldoende om een voldoende ernstige bedreiging aan te nemen. Daarnaast stelt eiser dat van hem ook geen actuele bedreiging uitgaat, omdat de minister ten onrechte en ongemotiveerd tegenwerpt dat eiser onvoldoende van deze strafbare feiten heeft geleerd en dat de kans op herhaling groot is. Sinds een vriend van hem bij een ongeluk om het leven is gekomen, wil eiser niets meer met de criminaliteit te maken hebben. Mede daarom is aan eiser geen reclasseringstoezicht opgelegd, hoefde hij zich niet te laten onderzoeken en heeft hij geen behandeling hoeven ondergaan. Eiser heeft inmiddels al twee jaar geen strafbare feiten meer gepleegd en de reclassering schat het risico op recidive slechts als ‘gemiddeld’ in. Het risico op geweldsrecidive wordt zelfs als ‘laag’ ingeschat. Daarnaast staat eiser ingeschreven op een woonadres. Eiser heeft zijn leven dus blijvend gebeterd.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat eiser aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium voldoet omdat hij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
7.1.1.
De minister mocht zich in de eerste plaats op het standpunt stellen dat eiser een voldoende ernstige bedreiging vormt. Bij de vraag of een vreemdeling een voldoende ernstige bedreiging vormt, kijkt de minister (onder meer) naar de aard van de strafbare feiten, de (duur van de) opgelegde straffen en wat de strafrechter in het vonnis heeft overwogen over de ernst van de delicten. [9] Anders dan eiser heeft betoogd, is dus niet per definitie vereist dat een vreemdeling is veroordeeld voor geweldsdelicten. Ook een ander delict of een combinatie van andere delicten kan volstaan. De minister heeft aan eiser tegengeworpen dat hij tussen 2017 en 2022 is veroordeeld voor drugshandel op straat en meerdere woninginbraken. Eiser is dus niet, zoals hij lijkt te betogen, veroordeeld voor een ‘eenvoudige’ diefstal. De minister heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gesteld dat dit ernstige feiten zijn, omdat woninginbraken het eigendomsrecht van de bewoners aantasten en veiligheidsgevoelens van hen en hun buren negatief beïnvloeden, en drugs (in het algemeen) een ontwrichtend effect op de samenleving hebben. De ernst van deze delicten komt volgens de minister daarnaast tot uitdrukking in de recidive ten aanzien van de woninginbraken en in de daarvoor opgelegde straffen, omdat eiser voor de laatst gepleegde woninginbraak is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden. Gelet op deze (inhoudelijk verder onbetwiste) motivering van de minister kan de rechtbank de minister volgen in zijn standpunt dat eiser een voldoende ernstige bedreiging vormt.
7.1.2.
Verder mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eiser een actuele bedreiging vormt. De minister heeft in dit verband aan eiser tegengeworpen dat hij tijdens de strafzaken een ontkennende houding heeft aangenomen en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij heeft gedaan, en dat eiser volgens de reclassering een delictpatroon heeft en niet openstaat voor hulp en begeleiding. De rechtbank stelt voorop dat de enkele stelling van eiser dat hij niets meer met criminaliteit te maken wil hebben, onvoldoende is om dit standpunt van de minister te weerleggen. Het gaat er uiteindelijk om welk gedrag eiser na het plegen van de strafbare feiten heeft laten zien en hoe dit gedrag, bijvoorbeeld door de reclassering, wordt beoordeeld. De minister wijst er in dat verband terecht op dat uit het reclasseringsrapport een ander beeld van eiser volgt dan hij in zijn beroepsgronden van zichzelf schetst. Uit dit reclasseringsrapport blijkt namelijk dat de reclassering het uitvoeren van een reclasseringsinterventie niet haalbaar achtte, omdat eiser geen adres en telefoonnummer had, een eerder schorsingstoezicht niet het gewenste resultaat opleverde en eiser niet ontvankelijk was voor contact met de reclassering. Het niet-opleggen van reclasseringstoezicht is dus nadrukkelijk niet, zoals eiser heeft betoogd, het gevolg van een in positieve zin gewijzigde houding van eiser. De minister mocht in dit verband dan ook aan eiser tegenwerpen dat hij niet openstaat voor hulp en begeleiding van de reclassering. Verder schat de reclassering het algemeen recidiverisico ‘gemiddeld’ in. Hoewel eiser op zichzelf genomen terecht naar voren brengt dat in de afgelopen twee jaar niet is gebleken van strafbare feiten, is de kans (dus) nog wel altijd aanwezig dat eiser opnieuw strafbare feiten zal plegen. Het gemiddeld recidiverisico kan daarom, anders dan eiser heeft gesteld, niet afdoen aan het standpunt van de minister dat eiser nog altijd een bedreiging voor de openbare orde is. Het enkele feit dat het recidiverisico voor geweldsdelicten als ‘laag’ is ingeschat, maakt dat niet anders. Nog daargelaten dat eiser in het verleden niet voor geweldsdelicten is veroordeeld, kunnen – zoals hiervoor onder 7.1.1 overwogen – ook andere delicten dan geweldsdelicten tot de conclusie leiden dat eiser een werkelijke, voldoende ernstige en actuele bedreiging vormt. Het is in zoverre dus niet van (doorslaggevend) belang dat in het geval van eiser een laag recidiverisico voor geweldsdelicten bestaat.
Is de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig?
8. Eiser betoogt dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning onevenredig is. Eiser stelt dat de nadelige gevolgen van de intrekking zwaarder wegen dan het belang van de overheid om eiser uit Nederland te verwijderen en dat de minister ten onrechte niet alle omstandigheden en persoonlijke belangen van eiser heeft meegewogen. Allereerst wijst eiser erop dat het enkele feit dat hij aan de norm van de glijdende schaal voldoet, niet meteen betekent dat de intrekking evenredig is. In dit verband wijst eiser erop dat geen sprake is van een reëel recidivegevaar en dat hij zijn leven heeft gebeterd: hij is tot inkeer gekomen en heeft al twee jaar geen strafbare feiten gepleegd. Verder werpt de minister ten onrechte tegen dat eiser een verblijfsgat heeft, omdat het verblijfsgat van korte duur is.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig is. De minister heeft dit standpunt, anders dan eiser betoogt, niet (alleen) gemotiveerd met verwijzing naar het feit dat eiser aan de norm van de glijdende schaal voldoet, maar ook met het feit dat eiser volgens de minister nog altijd een ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, zoals hiervoor onder 7 tot en met 7.1.2 bij de beoordeling van aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium overwogen. In dat oordeel heeft de rechtbank ook de stelling van eiser betrokken dat geen sprake is van een reëel recidivegevaar en dat eiser zijn leven heeft gebeterd, en daarover geoordeeld dat deze stellingen niet afdoen aan de actuele bedreiging die van eiser uitgaat. De rechtbank ziet, in het verlengde van dat oordeel, niet in waarom deze stellingen de intrekking van de verblijfsvergunning onevenredig maken. Verder ziet de rechtbank niet in waarom eiser – in het kader van de evenredigheid – is benadeeld door zijn verblijfsgat. Nog afgezien van het feit dat de minister het verblijfsgat van eiser slechts heeft betrokken bij de vraag of eiser aan de norm van de glijdende schaal voldoet en niet bij de evenredigheid, wijst de minister er terecht op dat eiser hoe dan ook aan de norm van de glijdende schaal voldoet, zelfs als het verblijfsgat van eiser niet bij de berekening van zijn verblijfsduur wordt betrokken. Eiser wordt in zoverre dus niet benadeeld door het feit dat hij een verblijfsgat heeft, zodat ook de korte duur van het verblijfsgat niet maakt dat de intrekking van de verblijfsvergunning onevenredig is. Het betoog van eiser dat de minister niet al zijn belangen in de beoordeling heeft betrokken slaagt evenmin. Op deze belangen gaat de rechtbank hierna in bij de beoordeling van eisers privé- en gezinsleven en de problemen voor eiser bij terugkeer naar Somalië.
Is de intrekking van de verblijfsvergunning in strijd met artikel 8 vanPro het EVRM?
9. Eiser betoogt dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM.
Familie- en gezinsleven
10. Eiser betoogt dat hij familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM heeft. Eiser stelt in de eerste plaats familie- en gezinsleven te hebben met zijn familieleden in Nederland (waaronder zijn broer en zus). De minister heeft de nauwe banden met deze familieleden niet onderkend, terwijl eiser over deze banden overtuigend heeft verklaard bij de reclassering en deze familieleden verklaringen hebben afgelegd over hun relatie met eiser. Verder stelt eiser dat hij in Nederland een relatie heeft met [persoon C] , waardoor hij ook met haar familie- en gezinsleven heeft.
10.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM heeft. Tussen eiser en zijn (meerderjarige) familieleden is slechts sprake van familie- en gezinsleven als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. [10] Zelfs als de rechtbank ervan zou uitgaan dat eiser en zijn familieleden altijd hebben samengewoond, is dat onvoldoende voor het oordeel dat aan deze maatstaf is voldaan. Samenwoning is weliswaar een belangrijke indicatie dat aan familie- en gezinsleven uitdrukking wordt gegeven, maar niet doorslaggevend. [11] De minister wijst er terecht op dat er geen aanwijzingen zijn dat eiser en zijn familieleden financieel, materieel, medisch of emotioneel van elkaar afhankelijk zijn. De enkele verklaring van eiser en zijn broer dat zij veel aan elkaar hebben en veel met elkaar hebben gedeeld, is voor een dergelijke afhankelijkheid onvoldoende. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de relatie van eiser met [persoon C] niet aannemelijk is gemaakt. Nog daargelaten de vraag of eiser haar eerder – in een telefoongesprek met de minister – als zijn nicht heeft gepresenteerd en of eiser deze relatie eerder in de procedure naar voren had moeten brengen, heeft eiser deze relatie niet onderbouwd anders dan met zijn eigen verklaringen en de verklaringen van [persoon C] op zitting. De rechtbank ziet daarom geen reden voor het oordeel dat de minister tussen eiser en [persoon C] familie- en gezinsleven had moeten aannemen op de grond dat zij een reële en in voldoende mate met een huwelijk gelijk te stellen relatie hebben. [12]
Privéleven; belangenafweging
11. Eiser betoogt dat de belangenafweging in het kader van zijn privéleven ten onrechte in zijn nadeel is uitgevallen. Eiser is als veertienjarige naar Nederland gekomen en verblijft hier dus inmiddels 11,5 jaar. Hij heeft een groot deel van zijn vormende jaren in Nederland doorgebracht, is hier naar de basisschool en het mbo geweest en heeft hier een tijdje gewerkt als lasser. Om die reden heeft eiser sterke sociale en culturele banden met Nederland. Dat eiser in deze periode niet (altijd) in de BRP ingeschreven heeft gestaan, kan aan de sterkte van deze banden niet afdoen. Verder werpt de minister ten onrechte tegen dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast en maakt het feit dat eiser strafbare feiten heeft gepleegd, nog niet dat aan zijn privéleven minder waarde gehecht zou moeten worden. Tot slot heeft de minister niet onderkend dat eiser hier familieleven heeft en dat hij in Somalië niets (meer) heeft: geen familie of vrienden, geen netwerk en geen banden. De meerderjarigheid van eiser doet daar geen afbreuk aan en het op afstand contact houden met familie en vrienden in Nederland is volgens eiser geen realistisch alternatief.
11.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft de belangenafweging in het kader van het privéleven van eiser niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. De rechtbank stelt voorop dat zij hiervoor heeft geoordeeld dat eiser aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium voldoet (onder 7 tot en met 7.1.2), zodat de minister dat in het nadeel van eiser mocht wegen, en dat hij geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM heeft (onder 10.1). Verder had de minister niet meer waarde hoeven hechten aan de sociale en culturele banden van eiser met Nederland dan hij nu heeft gedaan. De minister mocht in dat verband tegen elkaar afwegen dat eiser zijn vormende jaren weliswaar in Nederland heeft doorgebracht, maar dat hij ook een periode van ongeveer tien maanden in detentie heeft verbleven en dat hij vanaf 5 maart 2020 tot 6 juni 2024 in de Registratie Niet-Ingezetenen ingeschreven heeft gestaan vanwege emigratie, zodat onduidelijk is of eiser in die periode in Nederland heeft verbleven. Dat eiser van deze inschrijving niet wist en dat zijn broer heeft verklaard dat eiser altijd in Nederland heeft verbleven, is onvoldoende voor de conclusie dat eiser niet daadwerkelijk is geëmigreerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking neemt dat eiser geen enkele verklaring heeft gegeven voor de inschrijving als niet-ingezetene, terwijl ook zijn (pleeg)moeder staat geregistreerd als vertrokken uit Nederland en van een aantal van zijn familieleden geen verblijfsgegevens bekend zijn, wat volgens de minister de suggestie wekt dat zij niet meer in Nederland verblijven. Omdat het hierdoor de vraag is in hoeverre eiser in die periode banden met Nederland heeft opgebouwd en onderhouden, mocht de minister stellen dat dit afbreuk doet aan het gewicht van de sociale en culturele banden met Nederland. Tot slot heeft de minister er niet ten onrechte op gewezen dat eiser tot zijn vijftiende in Somalië heeft gewoond en zodoende bekend is met de Somalische taal en cultuur. Hoewel de minister ook erkent dat het niet gemakkelijk zal zijn, zal eiser als volwassen, jonge man dus weer een nieuw leven kunnen opbouwen in Somalië. De rechtbank ziet bovendien niet in waarom het niet mogelijk zou zijn om op afstand contact te houden met familie en vrienden in Nederland. Eiser heeft niet onderbouwd waarom dat geen realistisch alternatief is en de minister wijst er bovendien terecht op dat deze wijze van contact houden niet wezenlijk zal verschillen van de wijze waarop eiser contact heeft gehouden met vrienden en familie gedurende de periode dat hij gedetineerd zat en (mogelijk) geëmigreerd was.
Conclusie over deze beroepsgrond
12. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser niet in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM.
Kan eiser gelet op de actuele situatie terugkeren naar Somalië?
13. Eiser betoogt dat hij, gelet op de actuele situatie, niet kan terugkeren naar Somalië en daar een reëel risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
13.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond het volgende voorop. Eiser heeft in verband met deze beroepsgrond een zestal landeninformatiebrieven van VluchtelingenWerk Nederland over verschillende onderwerpen overgelegd. Deze landeninformatiebrieven beslaan in totaal 156 pagina’s en in deze brieven wordt verwezen naar een groot aantal verschillende bronnen. Eiser heeft in zijn betoog echter slechts enkele van deze bronnen aangehaald. Gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb betrekt de rechtbank daarom bij de beoordeling van het betoog van eiser alleen de bronnen die hij concreet in zijn beroepsgronden heeft aangehaald.
Het gebied waar eiser vandaan komt is in handen van Al-Shabaab
14. Eiser stelt dat de regio waar hij vandaan komt en de steden waarnaar hij moet terugkeren – Dooygaab en Buurhakaba – in handen zijn van Al-Shabaab, waardoor hij niet kan terugkeren naar Somalië. De regio Bay (waar beide steden in liggen) staat volgens het kaartje van de European Union Agency for Asylum (EUAA) immers onder gemengde, onduidelijke of lokale controle. Al-Shabaab is aanwezig in grote delen van Bay. Daarnaast controleert Al-Shabaab een aantal belangrijke bevoorradingsroutes in Bay, waardoor het reizen over de weg moeilijk en gevaarlijk is. Dat geldt in het bijzonder voor de route van Mogadishu naar Baidoa, de hoofdstad van Bay. Deze route is een belangrijk doelwit van aanvallen door Al-Shabaab. [13]
14.1.
In het huidige landenbeleid voor Somalië staat dat de mensenrechtensituatie in de gebieden die onder controle staan van Al-Shabaab zodanig is dat voor iedere Somaliër die moet terugkeren een reëel risico op ernstige schade bestaat. Dat reëel risico op ernstige schade geldt ook voor Somaliërs die niet afkomstig zijn uit een gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab, maar om daar te komen wel moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab aan de macht is. [14] Op grond van dat landenbeleid kan eiser niet terugkeren naar Somalië als de steden Dooygaab en Buurhakaba in handen zijn van Al-Shabaab óf als hij door gebieden van Al-Shabaab moet reizen om in die steden te komen.
14.2.
Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich in de eerste plaats terecht op het standpunt dat Dooygaab en Buurhakaba niet in handen zijn van Al-Shabaab. De minister heeft dit standpunt weliswaar onderbouwd met verwijzing naar het algemeen ambtsbericht over Somalië van juni 2023, maar uit het recentste algemeen ambtsbericht van april 2025 volgt geen ander beeld van de situatie in Dooygaab en Buurhakaba. Uit het overzichtskaartje in het algemeen ambtsbericht van april 2025 (dat de situatie van 28 februari 2025 toont) blijkt immers dat Buurhakaba nog steeds in handen is van het Somalisch regeringsleger en dat Dooygaab nog steeds ligt in een gebied dat onder gemengde, onduidelijke of lokale controle staat. [15] De door eiser aangehaalde landeninformatie leidt niet tot een ander oordeel. De interactieve kaart van Critical Threats is, zoals op deze website is vermeld, voor het laatst bijgewerkt op 1 juni 2023 en dus in zoverre verouderd. Verder is het overzichtskaartje in het EUAA-rapport weliswaar van recentere datum dan het overzichtskaartje uit het ambtsbericht (dit kaartje toont immers de situatie van 31 juli 2025), maar uit dat kaartje volgt niet dat de situatie in Dooygaab en Buurhakaba ten opzichte van het ambtsbericht is gewijzigd. Eiser hoeft dus niet terug te keren naar een gebied dat in handen is van Al-Shabaab. Uit de overzichtskaartjes in het algemeen ambtsbericht van april 2025 en het EUAA-rapport van oktober 2025 volgt wel dat eiser, om van Mogadishu via de weg naar de regio Bay te kunnen komen, moet reizen door de stad Lego. Die stad is in handen van Al-Shabaab. De minister heeft er in dit verband echter terecht op gewezen dat eiser van Mogadishu naar Baidoa kan vliegen en vanuit daar over land kan reizen naar Dooygaab en Buurhakaba. Deze mogelijkheid blijkt uit het algemeen ambtsbericht van april 2025. [16] Eiser hoeft dus niet noodzakelijkerwijs door een gebied te reizen dat in handen is van Al-Shabaab om in Dooygaab of Buurhakaba te komen. Daarom loopt eiser niet een reëel risico op ernstige schade om de enkele reden dat hij afkomstig is uit of moet reizen door een gebied dat in handen is van Al-Shabaab.
Eiser is lid van minderheidsclan Eyle
15. Eiser stelt verder dat hij een risico op ernstige schade loopt, omdat hij lid is van de minderheidsclan Eyle . Leden van deze minderheidsclan krijgen te maken met discriminatie, uitsluiting en achterstelling. Zo wordt gewezen op een beperkte toegang tot de gezondheidszorg, grote armoede, werkloosheid en een gebrek aan voedsel. Verder lopen leden van minderheidsclans doordat zij geen gewapende milities hebben een verhoogd risico op ontvoering, ontheemding, verkrachting of moord. Het EUAA noemt deze omstandigheden zodanig ernstig dat kan worden gesproken van een vervolging. Leden van deze minderheidsclans kunnen hiertegen geen bescherming inroepen van de Somalische autoriteiten. [17]
15.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich allereerst terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij behoort tot de minderheidsclan Eyle . Verder blijkt uit de door eiser aangehaalde landeninformatie niet concreet welk gevaar leden van de minderheidsclan Eyle lopen en heeft eiser niet onderbouwd waarom juist hij met deze problemen te maken zal krijgen, en heeft de broer van eiser op de zitting verklaringen afgelegd die met deze landeninformatie in strijd zijn. Hij heeft immers verklaard dat de discriminatie in de regio juist is afgenomen en dat de clan Eyle in het gebied van herkomst juist in de meerderheid is. De rechtbank ziet daarom niet in waarom eiser een reëel risico op ernstige schade loopt als gevolg van het feit dat eiser behoort tot de clan Eyle .
Eiser is verwesterd
16. Eiser stelt verder dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt, omdat hij volledig is verwesterd, en daardoor in Somalië als gevolg van zijn kleding en gewoonten zal opvallen. Eiser zal worden gezien als niet-islamitisch of niet-Somalisch, als gevolg waarvan eiser het gevaar loopt slachtoffer te worden van geweld, discriminatie, uitsluiting, afpersingen of overvallen. Eiser heeft geen clan- of sociale banden in Somalië, zodat hij geen bescherming kan zoeken, geen ondersteuning zal krijgen [18] en aangewezen zal zijn op een ontheemdenkamp dat hij niet kan betalen. Eiser zal ook geen of nauwelijks toegang krijgen tot voeding en gezondheidszorg. Al-Shabaab houdt volgens ambtsberichten en andere algemene landeninformatie bovendien terugkeerders uit het Westen in de gaten, omdat zij als bedreiging en als ongelovig worden gezien. Daarbij heeft de minister niet onderkend dat aan de (pleeg)vader van eiser een asielstatus is verleend vanwege problemen met Al-Shabaab, zodat het aannemelijk is dat eiser – als familielid – al in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab staat.
16.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van zijn gestelde verwestering een reëel risico op ernstige schade loopt. Nog daargelaten dat eiser niet heeft onderbouwd op basis van welke concrete (karakter)eigenschappen of uitdrukkingsvormen hij als verwesterd zal worden beschouwd, volgt uit de door eiser aangehaalde landeninformatie slechts dat verwesterde Somaliërs met problemen te maken kunnen krijgen. Waarom juist eiser specifiek met deze problemen te maken zal krijgen, blijkt uit die landeninformatie niet. Tot slot heeft eiser niet onderbouwd dat hij – als terugkeerder of als familielid van zijn vader – in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab staat of zal komen te staan. Uit het algemeen ambtsbericht van april 2025 volgt weliswaar dat terugkeerders als buitenstaanders worden gezien en het gevaar lopen door Al-Shabaab als spion te worden aangemerkt, maar dat geldt alleen voor gebieden die onder controle van Al-Shabaab staan. [19] Eiser hoeft echter, zoals hiervoor 14.2 overwogen, niet naar een dergelijk gebied terug te keren. Daarnaast is de enkele stelling dat de vader van eiser problemen heeft (gehad) met Al-Shabaab – voor zover die problemen nog aan de orde zijn – onvoldoende voor de conclusie dat ook eiser (als familielid) problemen met Al-Shabaab zal ondervinden of in hun negatieve belangstelling staat of zal komen te staan. Eiser heeft die stelling namelijk niet nader onderbouwd.
Willekeurig geweld
17. Eiser betoogt verder dat in de regio Bay (en daarmee de plaatsen Dooygaab en Buurhakaba) sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (een 15c-situatie). In de regio Bay vinden veel gewelds- en veiligheidsincidenten plaats en ook het aantal confrontaties met regeringstroepen neemt toe. Volgens de Armed Conflict Location and Event Data waren er tussen 1 april 2023 en 21 maart 2025 670 incidenten, waaronder 630 incidenten met betrokkenheid van Al-Shabaab. Volgens het EUAA is daarom ook sprake van een hoog niveau van willekeurig geweld. [20]
17.1.
Dit betoog slaagt niet. Sinds september 2025 staat in het landenbeleid voor Somalië niet langer dat in de regio Bay sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In plaats daarvan wordt voor deze regio helemaal geen 15c-situatie meer aangenomen, [21] omdat het geweld in Bay vrijwel geheel gericht geweld betreft dat voortkomt uit de strijd tussen Al-Shabaab en het Somalische regeringsleger. [22] De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat hij deze beleidswijziging betwist en dat hij vindt dat de minister, in navolging van het EUAA, had moeten aannemen dat in Bay sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Het antwoord op de vraag of de minister dat had moeten doen kan echter in het midden blijven. Eiser stelt namelijk niet dat de situatie in Bay zo ernstig is dat iedereen die zich daar bevindt al een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Zelfs als de rechtbank eiser zou volgen in zijn betoog dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, moet eiser dus aan de hand van zijn individuele situatie en zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat hij wél een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van het door hem gestelde willekeurig geweld. [23] De minister heeft gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser op basis van zijn persoonlijke situatie een reëel risico op ernstige schade loopt en dat er geen nieuwe informatie is waaruit blijkt dat eiser een dergelijk risico wel zou lopen. Eiser heeft evenmin enige persoonlijke omstandigheid aangevoerd (anders dan hierboven al besproken) op grond waarvan juist hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De rechtbank ziet daarom niet in hoe het betoog van eiser tot de conclusie kan leiden dat hij een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29, aanhef en onder b, nummer 3, van de Vw 2000 loopt.
Conclusie over deze beroepsgrond
18. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser, gelet op de actuele situatie in Somalië, kan terugkeren en dat hij daar geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Mocht de minister tegen eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod uitvaardigen, hem signaleren in het SIS en hem een vertrektermijn onthouden?
19. Eiser betoogt dat de minister geen terugkeerbesluit tegen hem mocht uitvaardigen, geen inreisverbod mocht opleggen en hem niet mocht signaleren in het SIS, omdat zijn uitzetting in strijd is met de artikelen 3 en 8 van het EVRM. Voor zover de minister tegen eiser wel een terugkeerbesluit mocht uitvaardigen, betoogt eiser verder dat de minister hem geen vertrektermijn mocht onthouden, omdat hij geen werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
19.1.
Dit betoog slaagt niet. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat eiser niet heeft betwist dat de minister bevoegd was om de verblijfsvergunning in te trekken op de grond dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt, dat de intrekking niet onevenredig is en dat deze niet in strijd is met artikel 3 ofPro 8 van het EVRM. De minister mocht de verblijfsvergunning van eiser daarom intrekken. Dit heeft van rechtswege tot gevolg dat tegen eiser ook een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. [24] Omdat de rechtbank hiervoor ook heeft overwogen dat de minister aan eiser mocht tegenwerpen dat hij aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium voldoet, mocht de minister daarbij bepalen dat eiser Nederland en de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten. [25] Dit heeft weer van rechtswege tot gevolg dat de minister gehouden was om eiser een inreisverbod op te leggen en hem te signaleren in het SIS. [26] De minister had nog kunnen afzien van het opleggen van een inreisverbod, [27] maar de rechtbank ziet – voor zover eiser dat heeft betoogd – geen reden voor het oordeel dat de minister dat had moeten doen, omdat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de terugkeer van eiser niet in strijd is met artikel 3 ofPro 8 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de intrekking van zijn verblijfsvergunning in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser daarom niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.De grondslag van deze verblijfsvergunning was artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e (oud), van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
3.Dat volgt uit artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000.
4.Dat staat in artikel 3:40 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Dat volgt uit artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
10.Dat volgt uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
11.Zie de WI 2020/16, p. 7.
12.Vergelijk paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000.
13.Eiser wijst ter onderbouwing hiervan op het algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025, het ‘Country Guidance’-rapport van de EUAA over Somalië van oktober 2025 en de interactieve kaart op de website van Critical Threats van 10 juni 2025.
14.Zie paragraaf C7/30.4.1.1 van de Vc 2000.
15.Zie het algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025, p. 22.
16.Zie het algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025, p. 88.
17.Eiser wijst ter onderbouwing hiervan op het Algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025, het ‘Country Guidance-rapport’ van de EUAA over Somalië van oktober 2025, het rapport ‘Somalia: Security Situation’ van de EUAA van mei 2025, een rapport van de Minority Empowerment and Development Agency van 27 februari 2025, een rapport van het UN Human Rights Council van 23 augustus 2024, het jaarrapport over Somalië van USDOS van 23 april 2024, de Protection Considerations van de UNHCR van september 2022 en een rapport van het EUAA over risicoprofielen van het EUAA van september 2021.
18.Eiser wijst op een rapport van het EUAA uit september 2021.
19.Zie het algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025, p. 117-118.
20.Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog op het algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025 en het ‘Country Guidance’-rapport van de EUAA over Somalië van oktober 2025.
21.Zie de beslisnota bij het landenbeleid van Somalië van 4 april 2025, p. 3 en paragraaf C7/30.4.2 van de Vc 2000.
22.Zie bijlage 3 bij de beslisnota bij het landenbeleid van Somalië van 4 april 2025, p. 17.
23.Dat volgt uit paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000.
24.Dat volgt uit artikel 45, eerste en derde lid, van de Vw 2000.
25.Vergelijk artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
26.Dat staat in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid, van de Vw 2000.