Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6919

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
26/1286
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 172a GemeentewetArt. 184 SrArt. 8 EVRMArt. 2 Vierde Protocol EVRMArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod wegens overlast in Den Haag

Verzoekster is geconfronteerd met een gebiedsverbod van drie maanden opgelegd door de burgemeester van Den Haag vanwege herhaalde verstoring van de openbare orde in haar woonwijk. Het verbod strekt zich uit over de gehele wijk en beperkt haar bewegingsvrijheid aanzienlijk, onder meer doordat zij haar partner binnen het gebied niet kan bezoeken.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verzoekster structureel overlast veroorzaakt, gebaseerd op een bestuurlijke rapportage met 61 meldingen en politieconstateringen over een periode van ruim twee jaar. Hoewel verzoekster niet strafrechtelijk is veroordeeld, is dit niet vereist voor het opleggen van een gebiedsverbod. De ernst en frequentie van de incidenten rechtvaardigen het verbod.

Verzoekster betoogt dat het gebiedsverbod disproportioneel is, te ruim is en onvoldoende gemotiveerd, en dat alternatieve maatregelen mogelijk waren. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat het verbod evenwichtig is, gezien de aard en spreiding van de incidenten, de duur van drie maanden passend is en dat minder ingrijpende maatregelen niet effectief zouden zijn.

De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en dat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan haar belang bij opheffing van het verbod. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gebiedsverbod wordt afgewezen omdat het verbod evenwichtig is en het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1286

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. Ö. Arslan),
en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. N.A. van der Sluis).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het door verweerder aan haar opgelegde gebiedsverbod voor het [gebied] in Den Haag voor de duur van drie maanden.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het bestreden besluit) op 30 december 2025 genomen. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Namens verweerder waren ook aanwezig mr. M.N.D. Snel, en [naam] van de politie.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster woont aan de [adres] (hierna: de woning), gelegen in [gebied] in Den Haag. Er zijn meldingen gedaan van verschillende vormen van overlast veroorzaakt door verzoekster. De politie Eenheid Den Haag heeft deze meldingen en overige constateringen van de verbalisanten opgenomen in een bestuurlijke rapportage van 10 december 2025. Verweerder heeft hieruit opgemaakt dat verzoekster de openbare orde herhaaldelijk heeft verstoord en dat er een ernstige vrees bestaat voor verdere verstoring. Hij heeft daarom aan verzoekster een gebiedsverbod opgelegd voor de duur van drie maanden, dit verbod strekt zich uit tot de hele [wijk]. [1] Het verbod houdt in dat verzoekster zich in de periode van 31 december 2025, 09.00 uur tot en met 31 maart 2026, 09.00 uur niet mag begeven in het gebied dat wordt begrensd door de [straatnamen]. Omdat verzoekster zelf in dit gebied woont, heeft verweerder een looproute aangewezen waarlangs zij haar woning kan bereiken vanuit het omliggende gebied en zij het aangewezen gebied ook weer kan verlaten. Verzoekster mag zich niet onnodig op deze looproute ophouden. Als zij zich niet aan het gebiedsverbod houdt, dan zal de politie handhavend optreden. [2]
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster is het niet eens met de oplegging van het gebiedsverbod. Verweerder was hiertoe niet bevoegd omdat de bestuurlijke rapportage onvoldoende grondslag biedt. Hierin staan vrijwel uitsluitend meldingen van buurtbewoners en deze zijn niet objectief. [3] Van belang hierbij is dat zij nooit strafrechtelijk is vervolgd. Inmiddels is zij weer samen met haar ex-partner en zij hebben hun onderlinge problemen bijgelegd. Voor zover de meldingen betrekking hebben op de periode waarin de relationele spanningen waren, zijn deze dus niet meer relevant. De overige kwesties met de buurtbewoners zijn hoofdzakelijk civielrechtelijk van aard en dus niet aan te merken als een verstoring van de openbare orde. [4] Daar komt bij dat verzoekster ook meldingen over de buurtbewoners heeft gedaan. Verweerder doet deze ten onrechte af als valse meldingen en schetst daarmee een onjuist en eenzijdig beeld van de situatie.
3.1.
De duur van drie maanden is verder onvoldoende gemotiveerd en niet evenwichtig. Daarbij omvat het gebiedsverbod de gehele [wijk] terwijl de voorgedane incidenten alleen hebben plaatsgevonden rondom de [straatnaam] en omliggende straten. Door het gebiedsverbod kan zij haar partner niet bezoeken. [5] Ook kan zij niet naar winkels of voorzieningen in de buurt van haar woning. [6] Verweerder had kunnen volstaan met een lichtere maatregel. [7] Door het gebiedsverbod wordt zij ernstig beperkt in haar bewegingsvrijheid, [8] waarbij iedere dag er één te veel is. Gelet hierop heeft verzoekster een zwaarder wegend belang bij haar verzoek dan het belang van verweerder bij het herstellen en handhaven van de openbare orde. Verder doet het feit dat verzoekster het gebiedsverbod in de tussentijd tweemaal heeft overtreden hier niet ter zake, nu het in deze zaak gaat om de vraag of verweerder het gebiedsverbod aan verzoekster mocht opleggen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. [9] Verzoekster wordt beperkt in haar bewegingsvrijheid, nu haar woning ligt binnen het gebied waarvoor het verbod geldt. De voorzieningenrechter vindt daarom dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek.
Was verweerder bevoegd om het gebiedsverbod op te leggen?
6. Op grond van artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet kan verweerder aan een persoon die de openbare orde herhaaldelijk heeft verstoord, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde, een bevel geven zich niet te bevinden in een of meer bepaalde delen van de gemeente.
6.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op grond van de in het dossier bevindende stukken, afkomstig van de politie, voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoekster structureel overlast veroorzaakt. Hoewel niet is gebleken dat verzoekster voor ook maar één van deze meldingen strafrechtelijk is veroordeeld, is dit voor het opleggen van een gebiedsverbod ook niet vereist. Voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt dat de gedragingen hebben plaatsgevonden. [10]
6.2.
In de bestuurlijke rapportage staan in totaal 61 registraties die betrekking hebben op de periode van 23 mei 2023 tot en met 5 december 2025. In elk van deze registraties wordt verzoekster genoemd als de persoon over wie een melding wordt gedaan of als degene die zelf een melding over een buurtbewoner doet. Verzoekster lijkt één van de hoofdrolspelers te zijn binnen conflicten die spelen binnen de wijk. De meldingen die over verzoekster zijn gedaan zien op verschillende vormen van overlast, zoals het uitschelden van, en het uiten van bedreigingen tegen buurtbewoners, het op een onheuse wijze benaderen van buurtkinderen, het plaatsen van voorwerpen in brievenbussen van buurtbewoners, het opzoeken van buurtbewoners op hun woonadres, waardoor nieuwe conflicten ontstaan, en het doen van valse meldingen bij instanties zoals Veilig Thuis en de politie, over middelengebruik door betreffende buurtbewoners of de ‘slechte opvoeding’ van hun kinderen.
6.3.
Wat door verzoekster is aangevoerd, noopt de voorzieningenrechter niet om aan de juistheid van de bestuurlijke rapportage op deze onderdelen te twijfelen. Het betreft niet alleen meldingen van buurtbewoners, maar ook constateringen van de politie zelf die het verweten gedrag van verzoekster (al dan niet via camerabeelden) heeft waargenomen. Deze constateringen worden door verzoekster op zichzelf niet betwist. Dat verzoekster ook meldingen heeft gedaan over het gedrag van haar buurtbewoners – wat daar verder ook van zij – doet hier niet ter zake nu dit niet afdoet aan het aandeel dat verzoekster heeft in het verstoren van de openbare orde.
6.4.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op grond van de bestuurlijke rapportage ook mogen aannemen dat ernstige vrees bestaat voor verdere verstoring van de openbare orde. Zo volgt hieruit dat meerdere buurtbewoners aan de politie hebben laten weten dat het gedrag van verzoekster te ver gaat en dat zij bang zijn dat dit uit de hand zal gaan lopen. Verder heeft verzoekster zelf tijdens een telefoongesprek met de wijkagent op 26 november 2025 onder meer verklaard dat zij niet meer voor zichzelf in staat en dat als niets aan de situatie wordt gedaan, zij vandaag of morgen zelf wat zal gaan doen. Voorts heeft verweerder in dit kader mogen meewegen dat van verzoekster in totaal 145 registraties in het politiesysteem staan en dat zij vier antecedenten voor eenvoudige dan wel zware mishandeling achter haar naam heeft staan.
6.5.
Gelet op de aan de orde zijnde hoeveelheid incidenten en het karakter daarvan, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat verzoekster herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord en dat de ernstige vrees bestaat voor verdere verstoring van de openbare orde. Verweerder was dan ook bevoegd om een gebiedsverbod op te leggen.
Is het gebiedsverbod evenredig?
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een gebiedsverbod een vergaande maatregel is. De inbreuk op verzoeksters recht om zich vrijelijk te verplaatsen moet in verhouding staan tot het te bereiken doel. Doel van de maatregel is dat het patroon van aanhoudende overlast voor langere periode wordt doorbroken en dat wordt voorkomen dat verzoekster in haar ‘oude gewoonten’ terugvalt. De bescherming van het algemeen belang bij het voorkomen van een verstoring van de openbare orde moet dan ook in redelijke verhouding staan tot het belang van het respecteren van verzoeksters grondrechten. Dit betekent dat de maatregel waardoor verzoekster wordt beperkt in haar bewegingsvrijheid, niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk en dat het gebied waarop het verbod ziet, zo beperkt mogelijk moet worden gehouden.
7.1.
Verweerder heeft zich ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van verzoekster geen minder ingrijpend alternatief voorhanden is dan het opleggen van een gebiedsverbod. Alternatieve maatregelen, zoals een groepsverbod of meldplicht, zouden niet tot het gewenste resultaat leiden. Verzoekster is diverse keren door de politie gewaarschuwd en aangesproken op haar gedrag, er heeft een STOP-gesprek plaatsgevonden, er is navraag gedaan bij het Zorg- en Veiligheidshuis of passende hulpverlening kan worden aangeboden, alle mogelijkheden voor hulpverlening zijn overwogen of reeds ingezet. Op zitting is toegelicht dat ook de veiligheidsregisseur van de gemeente bij verzoekster betrokken is.
7.2.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het aan verzoekster opgelegde gebiedsverbod voor drie maanden voor het betreffende gebied evenwichtig. Gelet op het feit dat het conflict tussen verzoekster en de buurtbewoners inmiddels al langer dan twee jaar aan de gang is, waarbij de frequentie van de meldingen in de laatste periode toenam, vindt de voorzieningenrechter een periode van drie maanden passend om de openbare orde in de wijk te herstellen. De duur van het gebiedsverbod komt overeen met wat door het handhavingsarrangement in de Beleidsregel in een geval als dit wordt voorgeschreven. Verweerder heeft op zitting een toelichting gegeven op de grootte van het gebied; de verschillende incidenten hebben zich verspreid door dit gebied voorgedaan. Dat verzoekster door het verbod niet op bezoek kan bij haar partner thuis, maakt het bestreden besluit op zichzelf nog niet onevenredig. Haar partner, en buren met wie verzoekster wel goed contact heeft, kunnen haar in haar eigen woning komen bezoeken. Bovendien heeft verweerder uitgelegd dat het toevoegen van een looproute naar de woning van haar partner niet in de rede ligt, nu er in het verleden ook verschillende incidenten hebben voorgedaan met de directe buren van haar partner.
7.3.
De voorzieningenrechter merkt op dat de duur van het verbod al voor een groot deel is verstreken. Na het opleggen van het gebiedsverbod hebben zich nog twee incidenten voorgedaan, op 10 januari 2026 en 6 februari 2026. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat de situatie in de buurt inmiddels sterk is verbeterd en de rust min of meer is teruggekeerd. Vooralsnog ziet hij – mits zich geen nieuwe incidenten voordoen – op dit moment geen aanleiding om het verbod straks te verlengen.
7.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar tegen het gebiedsverbod geen redelijke kans van slagen heeft en dat in dat licht het belang van verweerder bij het (voortzetten van het) gebiedsverbod zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij opheffing van het verbod. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de Gemeentewet jo. de Beleidsregel Wet Maatregelen Bestrijding Voetbalvandalisme en Ernstige Overlast (hierna: de Beleidsregel), RIS-nummer 180233.
2.Vanwege een schending van artikel 184 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
3.Verzoekster verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:325, en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 5 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14649.
4.Verzoekster verwijst in dat kader naar de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 juni 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX0092, en de uitspraak van de rechtbank Noord Holland van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:3451.
5.Dit levert volgens verzoekster een schending op van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (het EVRM)
6.Verzoekster verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 augustus 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:8273.
7.Ter ondersteuning hiervan wijst verzoekster op de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 oktober 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2962.
8.Dit levert volgens verzoekster een schending op van artikel 2 van Pro het Vierde Protocol bij het EVRM.
9.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1418, r.o. 5.1.1.