ECLI:NL:RBDHA:2026:6919
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod wegens overlast in Den Haag
Verzoekster is geconfronteerd met een gebiedsverbod van drie maanden opgelegd door de burgemeester van Den Haag vanwege herhaalde verstoring van de openbare orde in haar woonwijk. Het verbod strekt zich uit over de gehele wijk en beperkt haar bewegingsvrijheid aanzienlijk, onder meer doordat zij haar partner binnen het gebied niet kan bezoeken.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verzoekster structureel overlast veroorzaakt, gebaseerd op een bestuurlijke rapportage met 61 meldingen en politieconstateringen over een periode van ruim twee jaar. Hoewel verzoekster niet strafrechtelijk is veroordeeld, is dit niet vereist voor het opleggen van een gebiedsverbod. De ernst en frequentie van de incidenten rechtvaardigen het verbod.
Verzoekster betoogt dat het gebiedsverbod disproportioneel is, te ruim is en onvoldoende gemotiveerd, en dat alternatieve maatregelen mogelijk waren. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat het verbod evenwichtig is, gezien de aard en spreiding van de incidenten, de duur van drie maanden passend is en dat minder ingrijpende maatregelen niet effectief zouden zijn.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en dat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan haar belang bij opheffing van het verbod. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gebiedsverbod wordt afgewezen omdat het verbod evenwichtig is en het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van verzoekster.