ECLI:NL:RBDHA:2026:72

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
NL24.15118
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbWBV 2023/3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen vier weken beslissen op asielaanvraag na overschrijding wettelijke termijn

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag van 12 juni 2023. De rechtbank had eerder het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, maar het verzet daartegen werd gegrond verklaard, waarna het onderzoek werd hervat.

De rechtbank oordeelt dat het toepasselijke wijzigingsbesluit WBV 2023/3 onrechtmatig is, gelet op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. Hierdoor geldt een wettelijke beslistermijn van zes maanden, die op 12 december 2023 eindigde. De minister heeft niet binnen twee weken na het verstrijken van deze termijn beslist, waarna eiser beroep instelde.

De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond en legt de minister op binnen vier weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen, rekening houdend met het 8+8 wekenmodel en het reeds verstreken tijdsverloop. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd bij overschrijding van deze termijn.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467. Partijen hebben geen zitting gewenst, waardoor het onderzoek zonder zitting is gesloten.

Uitkomst: De minister wordt opgedragen binnen vier weken te beslissen op de asielaanvraag, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15118

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 12 juni 2023.
1.1.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 juli 2024 het beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het daartegen ingestelde verzet bij uitspraak van 15 september 2025 kennelijk gegrond verklaard. Vervolgens is het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak van 10 juli 2024 werd gedaan.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft
gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 [2] het in deze zaak toepasselijke wijzigingsbesluit. Anders dan deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 11 april 2024 [3] heeft geoordeeld, is zij thans van oordeel dat dit besluit onrechtmatig is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. [4] Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser diende te nemen. De wettelijke beslistermijn is in dit geval geëindigd op 12 december 2023. Eiser heeft de minister, na het verstrijken van deze termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [5] Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [6]
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. [7] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [8] Nu de 21 maanden reeds zijn verstreken en in dit geval op 18 maart 2024 een nader gehoor heeft plaatsgevonden, oordeelt de rechtbank dat de minister binnen een termijn van vier weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
5. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [9]
6. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [10] Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
8. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. [11]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235.
4.ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028.
5.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb.
6.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
7.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
10.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
11.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.