ECLI:NL:RBDHA:2026:7222
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit minister wegens onvoldoende belangenafweging minderjarige kinderen bij weigering verblijfsvergunning
Eiser, een Ghanese nationaliteit dragende vader van vier minderjarige kinderen, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland op grond van artikel 8 EVRM Pro, het recht op gezinsleven. De minister wees dit verzoek af vanwege het ontbreken van een geldige mvv en het belang van een restrictief toelatingsbeleid, waarbij werd aangenomen dat het gezinsleven ook in Ghana kon worden voortgezet.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende en onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de belangen van de minderjarige kinderen, met name ten aanzien van de scenario's waarin de kinderen in Nederland blijven terwijl eiser vertrekt, of waarin zij met eiser naar Ghana verhuizen. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de Ivoriaanse nationaliteit van de moeder en haar toegang tot Ghana.
De rechtbank benadrukt het belang van het IVRK en jurisprudentie van het HvJEU en EHRM, die stellen dat de belangen van het kind een primaire overweging vormen en dat kinderen recht hebben op betrokkenheid bij procedures die hen raken. De rechtbank concludeert dat de minister de intensiteit van het gezinsleven en de betrokkenheid van eiser onvoldoende heeft onderzocht.
Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt de minister opgedragen binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wordt betrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en eiser krijgt een vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met een gedegen onderzoek naar de belangen van de minderjarige kinderen.