Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7283

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7422
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 42 Vw 2000Art. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediend tegen niet tijdig besluit asielaanvraag

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend op 8 maart 2025. In een eerdere procedure heeft de rechtbank vastgesteld dat de minister niet tijdig heeft beslist en een beslistermijn van zestien weken opgelegd, met een dwangsom bij overschrijding.

Eiser diende op 10 februari 2026 een tweede beroep in tegen het niet tijdig beslissen, terwijl de beslistermijn nog niet was verstreken (loopt tot 19 mei 2026). De rechtbank oordeelt dat dit beroep prematuur is en daarom niet-ontvankelijk.

De rechtbank wijst het beroep af zonder zitting en zonder proceskostenveroordeling. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

De uitspraak is gedaan door rechter T.F. Bruinenberg en griffier A.S. van der Veen en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard omdat het te vroeg is ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. [1] In deze uitspraak is bepaald dat de minister binnen een termijn van zestien weken alsnog een besluit moet nemen op de asielaanvraag. Daarin heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
1.1.
Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 8 maart 2025.
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. [3] Eiser heeft de minister met de brief van 19 januari 2026 gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [4] Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig. [5]
3. In de uitspraak van 27 januari 2026 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van zestien weken. Deze termijn verloopt op 19 mei 2026. Het tweede beroep is 10 februari 2026 ingediend. Het beroep is te vroeg en dus prematuur ingediend en voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. [6]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De minister hoeft de proceskosten niet aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.NL25.58357.
2.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb.
5.Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.
6.Zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.