ECLI:NL:RBDHA:2026:7329
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen niet tijdig besluit gezinshereniging met dwangsom en proceskostenveroordeling
Eiser stelde op 12 juni 2024 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank verklaarde dit beroep op 26 februari 2025 gegrond en gaf de minister een termijn van acht weken om alsnog te beslissen, met een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding.
Op 30 september 2025 stelde eiser opnieuw beroep in wegens het uitblijven van een besluit. De minister had nog steeds geen besluit genomen, waardoor het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond was. De rechtbank stelde een nieuwe termijn van twee weken en verhoogde de dwangsom naar € 200 per dag met een maximum van € 15.000, omdat eerdere dwangsommen onvoldoende effect hadden.
De rechtbank wees het verzoek van de minister om een lagere dwangsom af en veroordeelde hem tevens tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van € 194 en proceskosten van € 467. De uitspraak werd gedaan door rechter W.H. Bel op 30 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een dwangsom op en veroordeelt de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.