Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7350

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
NL25.59843
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling leeftijdsvaststelling vreemdeling bij aanvraag verblijfsvergunning asiel

Eiser betwistte de vastgestelde geboortedatum die de minister hanteerde bij de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank onderzocht of de minister mocht uitgaan van de geboortedatum uit de Zwitserse registratie en het UNHCR-document, dan wel van de door eiser gestelde geboortedatum op een doopakte.

De minister had meerdere onderzoeken laten uitvoeren, waaronder leeftijdsschouwen, een medisch leeftijdsonderzoek en het opvragen van registraties bij Italiaanse en Zwitserse autoriteiten. De Zwitserse registratie en het UNHCR-document wezen op een andere geboortedatum dan de door eiser opgegeven. De doopakte werd door een deskundige als waarschijnlijk niet echt beoordeeld.

De rechtbank concludeerde dat de minister de presumptie van minderjarigheid mocht ontzenuwen op basis van de tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser en de betrouwbaarheid van de Zwitserse registratie en het UNHCR-document. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister mocht uitgaan van de geboortedatum uit de Zwitserse registratie.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de geboortedatum die de minister hanteert.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59843

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. R.S. Nandoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit), waarbij de minister de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingewilligd. Het beroep richt zich tegen de vaststelling van de geboortedatum van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt of de minister heeft mogen uitgaan van de geboortedatum [geboortedatum 1], of dat hij had moeten uitgaan van de door eiser gestelde geboortedatum van [geboortedatum 2].
2.1.
Ter zitting is vastgesteld, dat de derde in het dossier genoemde geboortedatum ([geboortedatum 3], zie ook onder r.o. 3.2.) een kennelijke verschrijving is ten opzichte van [geboortedatum 2].
2.2.
Ter zitting is eveneens vastgesteld dat dat de achternaam van eiser ‘[naam]’ is, en dat in de inwilligende beschikking, abusievelijk ‘[naam]’ staat.
Onderzoek naar de geboortedatum van eiser
3. Op 14 februari 2024 hebben twee medewerkers van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) een leeftijdsschouw verricht en geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is.
3.1.
Op 17 februari 2024 heeft een hoormedewerker van de IND ook een leeftijdsschouw verricht en geconcludeerd niet te kunnen oordelen of eiser meer- of minderjarig is.
3.2.
De minister heeft vervolgens nader onderzoek verricht en informatie opgevraagd bij de Italiaanse en Zwitserse autoriteiten, omdat eiser in die landen heeft verbleven. Uit de informatie van de Italiaanse autoriteiten blijkt dat eiser daar staat geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum 3]. In Zwitserland staat eiser geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum 1].
3.3.
Op 18 juli 2024 vond er vervolgens een (medisch)leeftijdsonderzoek (LTO) plaats. Daaruit bleek dat eiser ten minste 14 jaar en ten hoogste 32 jaar oud is. Het is volgens het onderzoek mogelijk dat eiser minderjarig is.
3.4.
Op eisers telefoon is een UNHCR-document gevonden waarop staat vermeld dat eiser is geboren op [geboortedatum 1].
3.5.
Op 18 september 2024 heeft eiser een doopakte overgelegd waarop staat dat eiser is geboren op [geboortedatum 2] Dit document is volgens Bureau Documenten, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, niet echt.
Oordeel van de rechtbank
4. De minister heeft gelet op de uitkomst van de schouwen – waarvan de zorgvuldige totstandkoming niet in geschil is - en met het oog op zorgvuldige besluitvorming, terecht nader onderzoek gedaan naar de leeftijd van eiser. Daarbij dient de minister uit te gaan van de minderjarigheid van eiser, en is het aan hem om de presumptie van die minderjarigheid te ontzenuwen. [1] De rechtbank oordeelt dat de minister daarin is geslaagd. De rechtbank zal dat hierna uitleggen.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de onderzoeksresultaten van het leeftijdsonderzoek ruimte laten voor zowel de conclusie dat eiser minderjarig is als dat hij meerderjarig is. Aan dit leeftijdsonderzoek komt daarom geen doorslaggevende waarde toe.
4.2.
Omdat sprake is van twee registraties in andere Europese landen, en deze registraties van gelijke waarde zijn, komt aan die registraties op zichzelf ook geen doorslaggevende waarde toe. Echter heeft de minister, naar het oordeel van de rechtbank, terecht overwogen dat eisers verklaringen over de registratie in Zwitserland vaag en tegenstrijdig zijn. Zo heeft eiser verklaard geen vingerafdrukken te hebben afgelegd, maar komen deze wel naar voren uit het Dublin-onderzoek. Ook heeft eiser geen verklaring voor hoe het kan dat in Zwitserland de geboortedatum [geboortedatum 1] is genoteerd, terwijl eiser wel verklaart daar nooit een geboortedatum te hebben genoemd. Eiser heeft daarmee geen plausibele verklaring gegeven voor deze afwijking ten opzichte van zijn gestelde geboortedatum. De minister heeft dit als zodanig kunnen meewegen.
4.3.
Daarnaast heeft de minister waarde kunnen hechten aan het UNHCR-document. Hoewel het geen origineel document betreft en de minister ook geen onderzoek heeft gedaan naar de totstandkoming hiervan, doet dit niet af het feit dat UNHCR-documenten niet louter op basis van eigen verklaringen van een vreemdeling worden opgesteld. [2] In samenhang bezien met de omstandigheid dat eiser ook op dit punt tegenstrijdig heeft verklaard – enerzijds dat hij in Libië maar wat zei en anderzijds dat hij een meerderjarige leeftijd opgaf om sneller door te kunnen reizen – heeft de minister in eisers verklaringen geen aanleiding hoeven zien te twijfelen aan de datum op het UNHCR-document. De minister heeft dit in het nadeel van eiser kunnen meewegen.
4.4.
Verder heeft de minister niet ten onrechte ook gewicht gehecht aan de door eiser overgelegde doopakte. Volgens Bureau Documenten is deze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt. De minister heeft dit in het nadeel van eiser kunnen laten meewegen.
4.5.
Samenvattend concludeert de rechtbank dat de minister inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij gewicht toekent aan de registratie in Zwitserland, dat aan het UNHCR-document doorslaggevende waarde toekomt en dat de deskundige conclusie rond de doopakte af doet aan de door eiser gestelde geboortedatum. Daarmee is de presumptie van minderjarigheid door de minister ontzenuwd. De minister heeft kunnen uitgaan van [geboortedatum 1] als geboortedatum van eiser.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245, r.o. 6.2.