Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn en een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn zijn overschreden. De ingebrekestelling is correct en het beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank acht een nadere beslistermijn tot uiterlijk 13 februari 2026 redelijk, rekening houdend met bijzondere omstandigheden zoals achterstanden bij de behandeling van asielaanvragen. Hiermee wordt voldaan aan de maximale termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt de minister op uiterlijk 18 februari 2026 een besluit te nemen. Tevens wordt een rechterlijke dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd voor elke dag overschrijding. Daarnaast worden proceskosten van € 467 aan eiser toegekend.