Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7514

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
NL26.9478 en NL26.9483
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Verordening (EU) nr. 603/2013Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijhedenHandvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Asiel en Migratie waarin hun asielaanvragen niet in behandeling zijn genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft beoordeeld of het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat Nederland erop mag vertrouwen dat Kroatië zijn internationale verplichtingen nakomt, terecht is toegepast. Eisers stelden dat zij in Kroatië mishandeld zijn en dat Kroatische autoriteiten beeldmateriaal hebben vernietigd, waardoor het vertrouwensbeginsel niet zou gelden.

De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt is dat Kroatië verantwoordelijk is, tenzij eisers aannemelijk maken dat er sprake is van systematische tekortkomingen die de hoge Jawo-drempel bereiken. De rechtbank vond de verklaringen van eisers onvoldoende om deze drempel te halen en verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak die het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië bevestigt.

Kroatië heeft bovendien een claimakkoord gesloten waarin het garandeert de asielaanvragen zorgvuldig te behandelen. De rechtbank concludeerde dat de minister terecht de asielaanvragen niet in behandeling heeft genomen en wees de beroepen af. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.9478 en NL26.9483

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser),

V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] , gezamenlijk te noemen: eisers
mede namens hun minderjarige kinderen [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] ,
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen. Verweerder heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 18 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eisers zijn het met die besluiten niet eens en hebben beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft de beroepen op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eisers, de gemachtigde van eisers, [tolk] als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvragen van eisers terecht niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van deze verordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2]
5. Verweerder heeft de asielaanvragen niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvragen. Uit Eurodac is verweerder immers gebleken dat eisers eerder in Kroatië een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Nederland heeft bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 21 november 2025 aanvaard. Daarbij vertrouwt verweerder erop dat Kroatië zijn internationale verdragsverplichtingen voor de behandeling van de asielaanvragen nakomt. Dat wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd.
Beroepsgronden
6. Niet in geschil is dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen. Eisers stellen zich op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië echter niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij stellen dat zij op verschillende wijzen zijn mishandeld in Kroatië en dat de Kroatische autoriteiten beeldmateriaal van dat handelen van hen hebben afgenomen en hebben vernietigd.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken wanneer in Kroatië sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Het is aan eisers om dat aannemelijk te maken. Bij deze beoordeling is ook het arrest Jawo [3] van belang. Uit dat arrest blijkt dat, als er sprake is van structurele tekortkomingen, die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel moeten bereiken om onder het bereik van artikel 3 van Pro het EVRM [4] en artikel 4 van Pro het Handvest [5] te vallen.
8. Verder is van belang dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest X [6] , samengevat, heeft overwogen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel deelbaar is. Dat wil zeggen dat bij de beoordeling of sprake is van systeemfouten die vallen onder artikel 4 van Pro het Handvest, en daarmee de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, de situatie waarin de betrokken verzoeker zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou kunnen bevinden bepalend is, en niet die waarin hij zich bevond toen hij het grondgebied van die lidstaat aanvankelijk betrad.
9. Uit jurisprudentie van de Afdeling [7] blijkt dat ten aanzien van Kroatië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de uitspraak van 9 oktober 2024 is de Afdeling ingegaan op de onderwerpen (toegang tot de) asielprocedure, pushbacks en opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft onderzocht of asielzoekers die gecontroleerd worden overgedragen op grond van de Dublinverordening (hierna: Dublinclaimanten) een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. De Afdeling heeft daarvoor in de overgelegde rapporten geen aanknopingspunten gevonden. In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
Eisers hebben op zitting opgemerkt dat er tal van rapporten zijn verschenen over Kroatië, waarin is gerapporteerd over pushbacks, mishandelingen en vernederingen. Concreet hebben zij gewezen op informatie van Border Violence Monitoring Network. Verweerder heeft op de zitting niet inhoudelijk gereageerd op deze informatie. De rechtbank overweegt hieromtrent dat de Afdeling deze informatie [8] heeft betrokken in haar uitspraak van 9 oktober 2024. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat uit het rapport niet blijkt dat bij de daarin vermelde pushbacks van de Kroatische politie ook Dublinclaimanten waren betrokken. Eisers hebben ter zitting gesteld dat de handelwijze van de Kroatische politie aan of nabij de buitengrenzen niet anders zal zijn dan de handelwijze landinwaarts bij gecontroleerde overdracht, maar die stelling is niet gedocumenteerd onderbouwd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 goed uitgelegd waarom zij ervan uitgaat dat Dublinclaimanten bij gecontroleerde overdracht geen reëel risico lopen slachtoffer te worden van pushbacks en dat zij feitelijk toegang krijgen tot de opvangvoorzieningen.
10. De verklaringen van eisers over wat zij in Kroatië hebben meegemaakt, getuigen niet van structurele tekortkomingen die de bijzonder hoge Jawo-drempel bereiken zoals hiervoor beschreven. Eisers hebben in hun beroepsgronden verwezen naar hun verklaringen afgelegd bij het aanmeldgehoor. De rechtbank stelt vast dat eiser in algemene bewoordingen heeft verklaard dat zij niet als mensen zijn behandeld, maar als dieren, of nog slechter dan dieren, en dat zij eten hebben gekregen dat over de houdbaarheidsdatum was. Eiseres heeft verklaard dat zij zijn gedwongen om hun vingerafdrukken af te geven en dat, toen zij vroeg waarvoor dat was, ze begonnen te schreeuwen. Hoe onplezierig eisers dit ook hebben ervaren, geven deze verklaringen echter geen beeld van structurele tekortkomingen als hiervoor bedoeld. De rechtbank merkt daarbij op dat lidstaten op grond van de Eurodac-verordening [9] verplicht zijn om vreemdelingen te registreren die het grondgebied van de lidstaten illegaal binnenkomen.
11. Kroatië heeft met zijn claimakkoord van 21 november 2025 gegarandeerd dat de asielaanvragen van eisers in behandeling zullen worden genomen en dat hij zich zal houden aan de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eisers geen aanknopingspunten dat hun asielaanvragen niet zorgvuldig of volgens de Europese regels zullen worden behandeld. Daarbij heeft verweerder in het bestreden besluit terecht erop gewezen dat eisers bij eventuele tekortkomingen in de opvang of de procedure kunnen klagen bij de (hogere) Kroatische autoriteiten. Dit volgt ook uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [10] . Het is niet gebleken dat dit voor eisers onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
12. Verweerder heeft daarom kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Kroatië de internationale verplichtingen nakomt.

Conclusie en gevolgen

13. Verweerder heeft de asielaanvragen terecht niet in behandeling genomen. De beroepen zijn ongegrond.
14. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:2018.
4.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Arrest van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie de uitspraken van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4037) en 21 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5635).
8.Rapport van 8 mei 2023.
9.Verordening (EU) Nr. 603/2013.
10.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359