In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 6 januari 2026, zijn eisers, bestaande uit een eiser en een eiseres met hun minderjarige kinderen, in beroep gegaan tegen de minister van Asiel en Migratie. De zaak betreft de asielaanvragen die op 19 mei 2023 zijn ingediend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn voor de aanvragen is verstreken en dat de minister niet tijdig heeft beslist. Na het verstrijken van de termijn hebben eisers de minister verzocht om alsnog binnen twee weken te beslissen, maar dit verzoek is niet ingewilligd. De rechtbank heeft de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat de minister een nieuw besluit moet nemen op de aanvragen, rekening houdend met het '8+8 wekenmodel'. Aangezien de bovengrens van 21 maanden is overschreden, legt de rechtbank een kortere beslistermijn op van vier weken, te rekenen vanaf de bekendmaking van de uitspraak. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 467,-.