Eiseres uit Syrië diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ontvangen door de minister op 23 november 2023. Vanwege een besluitmoratorium voor Syrië, dat liep van 14 december 2024 tot 13 juni 2025, werd de beslistermijn verlengd tot maximaal 21 maanden. De minister had uiterlijk 23 mei 2025 moeten beslissen, maar deed dit niet.
Eiseres stelde de minister op 20 juni 2025 schriftelijk in gebreke en diende op 9 december 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist en de ingebrekestelling correct was gedaan.
De rechtbank bepaalde dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens legde zij een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank kon de hoogte van de reeds verbeurde dwangsom niet vaststellen vanwege gewijzigde wetgeving per 15 april 2025.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 467,-, omdat zij een professionele gemachtigde inschakelde en het beroep gegrond werd verklaard. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Skerka op 9 maart 2026.