Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/09/696155 / FA RK 25-9486
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BWArt. 1:402a BWProtocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen partneralimentatie, zorgregeling en gebruik echtelijke woning

Partijen zijn gehuwd sinds 2010 en hebben twee kinderen, waarvan één minderjarig. De vrouw verblijft met de kinderen in de echtelijke woning in Nederland, terwijl de man sinds juli 2025 in het buitenland woont. De man verzocht onder meer om een zorgregeling, partneralimentatie en toegang tot goederen in opslag.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot uitsluitend gebruik van de woning en partneralimentatie. De vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de woning toegewezen, waarbij de man de woning moet verlaten. De zorgregeling wordt vastgesteld conform het ouderschapsplan dat partijen in goed overleg hebben opgesteld.

Voor de partneralimentatie berekent de rechtbank de behoefte van de man en de draagkracht van de vrouw, waarbij rekening wordt gehouden met inkomens, ontslagvergoeding en vermogen in crypto, goud en zilver. De voorlopige partneralimentatie wordt vastgesteld op €546 per maand met ingang van 1 december 2025, verhoogd naar €571 per maand vanaf 1 januari 2026. De verzoeken tot afgifte van goederen uit opslag zijn ingetrokken. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening gedragen.

Uitkomst: De vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de woning, de zorgregeling wordt conform ouderschapsplan vastgesteld en zij betaalt voorlopige partneralimentatie aan de man.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9486
Zaaknummer: C/09/696155
Datum beschikking: 4 maart 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 15 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd als RNI, feitelijk verblijvende te [land],
advocaat: mr. L. Lagerwerf te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 4 februari 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 9 februari 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- twee F9-formulieren van 10 februari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 11 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk M. Bink;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn op [datum] 2010 met elkaar gehuwd te [plaats 1], [land].
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats], [geboorteland] (hierna: [minderjarige]).
- Zij zijn de ouders van het volgende inmiddels jong-meerderjarige kind:
- [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats], [geboorteland] (hierna: [jongmeerderjarige]).
- [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
- De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige].
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de man Brits burger is en dat de vrouw en [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit hebben.

Verzoek en verweer

De man heeft verzocht – na wijziging –:
- een zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en de man vast te stellen, inhoudende dat hij [minderjarige] twee keer per maand een weekend ziet, waarbij de man met [minderjarige] in Nederland kan verblijven of in [land] en waarbij de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld;
- te bepalen dat de vrouw zal bijdragen in het levensonderhoud van de man naar Nederlands recht (primair en subsidiair) met € 5.758,- bruto per maand, bij vooruitbetaling per maand aan hem te voldoen, met ingang van 1 december 2025, subsidiair naar Engels recht met € 5.758,- bruto per maand, bij vooruitbetaling per maand aan hem te voldoen, met ingang van 1 december 2025;
- de vrouw te bevelen dat zij aan de man binnen twee dagen na betekening van de beschikking beschikbaar stelt en aan hem afgeeft de goederen die tot zijn dagelijks gebruik strekken, zoals die zijn genoemd onder randnummer 34 van het verzoekschrift, alsmede door toegang te verlenen tot de opslag door het verstrekken van de toegangscode;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht:
- te bepalen dat de vrouw met ingang van de beschikking en voor de duur van de echtscheidingsprocedure bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de onroerende zaak (woning) te [adres] en de zich daarin bevindende roerende zaken, met bepaling dat de man die woning dient te verlaten en niet meer mag betreden zonder voorafgaande toestemming van de vrouw;
- te bepalen dat de man ook voor de duur van de echtscheidingsprocedure gerechtigd is tot contact met [minderjarige] op de wijze zoals door partijen overeengekomen in het door hen op 16 januari 2026 getekende ouderschapsplan/parenting plan;
- de man te veroordelen om uiterlijk 28 februari 2026 al zijn zaken te verwijderen uit de opslag bij AllSafe te [plaats 2], en hem te veroordelen iedere maand bij vooruitbetaling de kosten voor de opslag na 28 februari 2026 aan de vrouw te vergoeden zolang de zaken daar na 28 februari 2026 niet zijn verwijderd en de vrouw gehouden is die kosten door te betalen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Uitsluitend gebruik echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Overwegingen rechtbank
Gebleken is dat de vrouw op dit moment met de kinderen in de echtelijke woning verblijft. De man heeft aangegeven dat hij in juli 2025 is teruggekeerd naar [land]. Hij heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw als niet weersproken en in het belang van de kinderen toewijzen.
Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.
Voorlopige zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een voorlopige zorgregeling.
Overwegingen rechtbank
Partijen zijn ten aanzien van [minderjarige] en naar de rechtbank uit de brief van [minderjarige] heeft begrepen in goed overleg met haar een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen. Hierop heeft de man zijn verzoek ingetrokken. Nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet, zal de rechtbank daarom bepalen dat de man en [minderjarige] voorlopig contact met elkaar zullen hebben volgens de afspraken zoals opgenomen in het ouderschapsplan van januari 2026.
Voorlopige partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen worden onderhoudsverplichtingen, tenzij het Protocol anders bepaalt, beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. Dat betekent dat in beginsel Engels recht van toepassing is op het verzoek tot partneralimentatie.
Op grond van artikel 5 van Pro het Protocol is in geval van onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten artikel 3 van Pro het Protocol niet van toepassing, indien een van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere Staat, in het bijzonder dat van de Staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. In dat geval is het recht van die andere Staat van toepassing. Onder verwijzing naar artikel 5 Protocol Pro heeft de man gesteld dat het huwelijk van partijen nauwer verbonden is met Nederland dan met het [land], waardoor Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot partneralimentatie. De vrouw heeft zich hiertegen niet verzet. De rechtbank zal daarom de partneralimentatie vaststellen naar Nederlands recht.
Overwegingen rechtbank
Bij de vaststelling van de voorlopige partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.
De rechtbank zal de partneralimentatie conform het verzoek van de man vaststellen met ingang van 1 december 2025, ook omdat de vrouw op de zitting heeft aangegeven dat zij in november 2025 voor het laatst een bijdrage aan de man heeft betaald om in zijn levensonderhoud te voorzien. Bovendien ligt deze ingangsdatum dicht bij de datum van de indiening van het verzoekschrift.
Behoefte
De rechtbank zal de Hofnorm hanteren als voorlopige maatstaf ter bepaling van de huwelijkse welstand van partijen en daarmee voor de redelijkerwijs te verwachten kosten van levensonderhoud van de man tijdens de echtscheidingsprocedure. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2025-II, nu partijen in juli 2025 uit elkaar zijn gegaan.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 20.043,83 bruto per maand en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde vaststellingsovereenkomst tussen haar en [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1]). Daarbij houdt de rechtbank conform het rapport rekening met een gemiddelde winst uit onderneming [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2]) over de jaren 2023, 2024 en 2025. De rechtbank gaat hierbij uit van de volgende winst in:
2023: € 29.605,-
2024: € 24.759,-
2025: € 12.637,-
De gemiddelde winst bedraagt dan € 22.334,-.
De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 12.851,- per maand in 2025. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
In het kader van de behoefte heeft de man aangevoerd dat zijn inkomen gedurende de periode mei 2023 tot december 2025 gemiddeld 971 pond bruto per maand bedroeg. Hij heeft gesteld dat daarom voor zijn NBI moet worden uitgegaan van een inkomen van € 884,- netto per maand. Nu de vrouw deze stelling niet heeft betwist, zal de rechtbank daarvan uitgaan.
Op basis hiervan berekent de rechtbank het NBI van de man op € 884,- per maand in 2025. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Gelet op de inkomens van partijen hebben zij geen recht op kindgebonden budget. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedraagt € 13.735,- (€ 12.851,- + € 884,-).
Voor de bepaling van de behoefte van de man moeten op het NBGI de kosten van de kinderen in mindering worden gebracht. In deze voorlopige voorzieningenprocedure zal de rechtbank voor [minderjarige] en [jongmeerderjarige] uitgaan van een gelijke behoefte op basis van de behoeftetabel, omdat de rechtbank het redelijk acht dat de draagkracht van de ouders gelijk over de kinderen wordt verdeeld. Daarbij is de rechtbank niet duidelijk welke norm gebaseerd op de Wet studiefinanciering (Wsf-norm) voor [jongmeerderjarige] gehanteerd zou moeten worden, aangezien dan van belang is of, en zo ja welke opleiding [jongmeerderjarige] volgt en of hij aanspraak maakt op een aanvullende beurs. In dit kader hebben partijen geen stellingen aangevoerd. De rechtbank gaat ervan uit dat in de echtscheidingsprocedure nader zal worden bezien of dit uitgangspunt juist is of dat bij de behoefte van de kinderen van andere gegevens moet worden uitgegaan. Uit de behoeftetabel van het Rapport Alimentatienormen 2025 volgt bij het NBGI van partijen een eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige] en [jongmeerderjarige] van € 1.700,-.
Het NBGI bedraagt, met aftrek van de kosten van de kinderen, € 12.035,- per maand (€ 13.735,- - € 1.700,-). De behoefte van de man bedraagt dan afgerond € 7.221,- netto per maand (60% van € 12.035,-).
Aanvullende behoefte
Op voornoemde netto-behoefte van de man van € 7.221,- per maand moet zijn huidige NBI in mindering worden gebracht. In dit kader heeft de vrouw gesteld dat de man een (hogere) verdiencapaciteit moet worden toegekend, aangezien hij een opleiding heeft gevolgd tot slager en rijbewijzen bezit waarmee hij bussen en vrachtwagens kan besturen. Nu de vrouw haar stelling niet nader heeft onderbouwd en de man deze heeft betwist, ziet de rechtbank in het kader van de berekening van de voorlopige partneralimentatie geen plaats voor een (fictieve) verdiencapaciteit van de man. Ook dat kan in de bodemprocedure anders zijn.
Verder heeft de vrouw gesteld dat de man aanzienlijk vermogen in crypto, goud en zilver bezit. Hiermee kan de man worden geacht om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Op de zitting heeft de man niet betwist dat hij crypto, goud en zilver bezit, maar hij heeft toegelicht dat dit geen substantieel bedrag vertegenwoordigt. De man heeft in de echtscheidingsprocedure reeds inzage gegeven in zijn vermogen. Volgens de man beschikt de vrouw eveneens over vermogen, maar heeft zij hier nog geen inzage in verschaft. De rechtbank constateert dat partijen beschikken over vermogen in crypto, goud en zilver. De rechtbank kan evenwel niet vaststellen wat de omvang van dit vermogen is en zal dit vermogen daarom in deze procedure buiten beschouwing laten.
Gelet op het voorgaande is er sprake van behoeftigheid bij de man. De man heeft aangegeven dat hij op dit moment twee ondernemingen heeft, maar hij geen inkomen genereert met deze ondernemingen. Ook heeft de man op de zitting aangegeven dat hij af en toe ad hoc entertainmentklussen doet en hier minimale inkomsten uit ontvangt. Bij de berekening van het huidige NBI van de man zal de rechtbank net als bij de behoefte uitgaan van een inkomen van € 884,- netto per maand, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de man in staat zal zijn om in ieder geval een inkomen te genereren ter hoogte van zijn inkomen van de afgelopen periode. Op basis hiervan berekent de rechtbank het NBI van de man op € 884,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 6.337,- netto per maand (€ 7.221,- - € 884,-).
Draagkracht vrouw
Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van de winst uit onderneming in 2025, zijnde € 12.637,-. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij in 2025 een belangrijke klant heeft verloren en dat het mede vanwege de opkomst van AI in haar vakgebied (marketing) steeds moeilijker is om nieuwe klanten te vinden. Daarbij zal de rechtbank rekening houden met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.
Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat zij in september 2025 bedragen heeft ontvangen ter zake van een ontbindingsvergoeding en achterstallig salaris. De vrouw heeft aangegeven dat zij hiervan een bedrag van € 91.450,- aan [bedrijfsnaam 2] heeft moeten terugbetalen, omdat zij in rekening-courant geldbedragen uit deze BV heeft opgenomen vanwege het uitblijven van salarisbetalingen door haar voormalige werkgever. Volgens de vrouw resteert op dit moment van de ontbindingsvergoeding en het achterstallig salaris een bedrag van afgerond € 48.000,-. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat met dit bedrag rekening moet worden gehouden bij de berekening van haar draagkracht.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw het door haar ontvangen bedrag ter zake van achterstallig salaris van € 55.235,35 heeft aangewend voor het aflossen van rekening-courantschulden aan [bedrijfsnaam 2]. Met hetgeen zij eventueel meer heeft opgenomen zal de rechtbank geen rekening houden, omdat niet duidelijk is geworden waarvoor dit is opgenomen. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is verder gebleken dat de vrouw op 30 september 2025 een netto-ontslagvergoeding heeft ontvangen van € 95.950,-. De rechtbank gaat ervan uit dat deze ontslagvergoeding wordt aangewend om te voorzien in het inkomensverlies na het ontslag. De rechtbank acht het redelijk om ervan uit te gaan dat de vrouw de ontslagvergoeding kan gebruiken ter overbrugging van de periode oktober 2025 tot en met december 2026 (aldus vijftien maanden). De rechtbank zal daarom bij de draagkracht van de vrouw uitgaan van een inkomen van (afgerond) € 6.397,- netto per maand (€ 95.950,- / 15).
Verder heeft de vrouw gesteld dat rekening moet worden gehouden met een extra last van € 150,- per maand aan vliegtickets voor [minderjarige] in het kader van het contact tussen [minderjarige] en de man. De rechtbank zal daarvan uitgaan, nu de man niet heeft betwist dat de vrouw deze kosten voor [minderjarige] draagt.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 7.410,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van haar draagkracht volgens de aanbevelingen uit het rapport alimentatienormen de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 2.203,- per maand, te weten
60% x [€ 7.410,- - (0,3 x € 7.410,- + € 150,- + € 1.365,-)].
Hierop wordt het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen in mindering gebracht. De rechtbank overweegt dat partijen in artikel 13 van Pro het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] volledig door de vrouw worden gedragen. Ook hebben partijen in artikel 5 afgesproken Pro dat zij de kosten van het contact tussen de man en [minderjarige] in Nederland en de kosten van [minderjarige] als zij naar het [land] reist ieder voor de helft voor hun rekening zullen nemen. Gelet op de overeengekomen zorgregeling waarbij er eens per twee tot drie maanden fysiek contact tussen de man en [minderjarige] zal zijn, acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van de man van 5%. Nu [jongmeerderjarige] jong-meerderjarig is, geldt voor hem geen zorgkorting. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen is dus € 42,50 (5% van € 850,-). Op het aandeel van de vrouw wordt aldus € 1.657,50 in mindering gebracht (€ 1.700,- - € 42,50).
De vrouw heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van (afgerond) € 546,- per maand (€ 2.203,- - € 1.657,50). Nu gebleken is dat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen, bestaat er geen fiscaal voordeel en zal de rechtbank de draagkracht van de vrouw niet bruteren.
Gezien de aanvullende behoefte van de man is de rechtbank van oordeel dat een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van € 546,- bruto per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.
Conclusie
De rechtbank zal de partneralimentatie met terugwerkende kracht vaststellen met ingang van 1 december 2025 op € 546,-. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de partneralimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 571,-. Het meer of anders verzochte te dien aanzien zal de rechtbank afwijzen.
Afgifte goederen
Gebleken is dat de man inmiddels toegang heeft tot de goederen die zich bevinden in de All Safe opslag in [plaats 2]. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij zijn spullen uiterlijk 28 februari 2026 uit de opslag zal halen. Hierop hebben beide partijen hun verzoeken ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom op deze verzoeken niet meer te beslissen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank zal [minderjarige] in de volgende, gelijktijdig met deze beschikking te versturen aparte brief, uitleggen wat de rechtbank heeft besloten:
Beste [minderjarige],
Dankjewel voor de brief die je me geschreven hebt. Ik vind het fijn om te weten wat jij denkt over het contact met je vader. Op de zitting heb ik daarover met je moeder en je vader gesproken. Ik begreep ook van je moeder en vader dat het Ouderschapsplan in overleg met jou is gemaakt. Daarom zal ik aansluiten bij het Ouderschapsplan en beslissen dat je je vader eens per twee tot drie maanden fysiek ziet, in principe in Nederland, tenzij jouw ouders in overleg met jou afspreken dat je je vader in [land] ziet.
Het is nooit fijn als je ouders gaan scheiden, maar ik hoop dat jouw relatie met allebei je ouders goed blijft. Als er toch nog dingen zijn waar je tegenaan loopt zou je eens kunnen kijken op de website van Villa Pinedo, www.villapinedo.nl, dat is een organisatie speciaal voor kinderen van gescheiden ouders.
Ik wens je het allerbeste!
Met vriendelijke groet,
M.F. Baaij
kinderrechter

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats], [geboorteland], bij zich te hebben conform de afspraken in het ouderschapsplan van januari 2026;
bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 1 december 2025 voorlopig een partneralimentatie van € 546,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 571,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 4 maart 2026.