ECLI:NL:RBDHA:2026:8022
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in asielprocedure
De minister van Asiel en Migratie legde op 5 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en verklaarde deze toen rechtmatig tot 17 maart 2026.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de wettelijke termijn voor het sluiten van het vooronderzoek, maar oordeelde dat deze termijnoverschrijding niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring, mede omdat de uitspraak binnen de wettelijke termijnen werd gedaan en eiser niet in zijn belangen werd geschaad.
Eiser had verzocht om een zitting, maar de rechtbank vond dit niet noodzakelijk omdat de stukken voldoende waren voor een oordeel. Eiser stelde dat de minister zijn informatieplicht schond door onvoldoende informatie te verstrekken over de voortgang van de asielprocedure. De rechtbank stelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld door binnen twee weken na inbewaringstelling een voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag te versturen en dat eiser nog de mogelijkheid had een zienswijze in te dienen.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.