ECLI:NL:RBDHA:2026:8050
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 20 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in uitspraken van december 2025, januari 2026 en maart 2026.
Bij de beoordeling van het voortduren van de maatregel richtte de rechtbank zich op de periode na 6 maart 2026, het moment van het sluiten van het laatste vooronderzoek. Hoewel het vooronderzoek niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van een week na ontvangst van het beroepschrift (23 maart 2026) werd gesloten, maar pas op 3 april 2026, oordeelde de rechtbank dat deze termijnoverschrijding niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring. Eiser werd niet in zijn belangen geschaad door deze overschrijding.
De minister had een laissez-passer aangevraagd en de nationaliteit van eiser was bevestigd, waarna op 25 maart 2026 het laissez-passer werd afgegeven. Eiser stelde dat er onzekerheid bestond over de uitgifte en termijn, en dat de maatregel niet gerechtvaardigd was, maar deze stellingen waren niet onderbouwd. De rechtbank vond geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.