Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8050

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL26.16243
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 20 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in uitspraken van december 2025, januari 2026 en maart 2026.

Bij de beoordeling van het voortduren van de maatregel richtte de rechtbank zich op de periode na 6 maart 2026, het moment van het sluiten van het laatste vooronderzoek. Hoewel het vooronderzoek niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van een week na ontvangst van het beroepschrift (23 maart 2026) werd gesloten, maar pas op 3 april 2026, oordeelde de rechtbank dat deze termijnoverschrijding niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring. Eiser werd niet in zijn belangen geschaad door deze overschrijding.

De minister had een laissez-passer aangevraagd en de nationaliteit van eiser was bevestigd, waarna op 25 maart 2026 het laissez-passer werd afgegeven. Eiser stelde dat er onzekerheid bestond over de uitgifte en termijn, en dat de maatregel niet gerechtvaardigd was, maar deze stellingen waren niet onderbouwd. De rechtbank vond geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16243

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026

in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 20 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 8 december 2025. [1] Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 13 januari 2026. [2] Op het tweede vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 10 maart 2026. [3]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 3 april 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van uitspraak van 10 maart 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 6 maart 2026.
3. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Het beroepschrift is op 23 maart 2026 ingediend. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. Dit betekent dat de rechtbank in dit geval het vooronderzoek uiterlijk op 30 maart 2026 had moeten sluiten. Het vooronderzoek is echter pas gesloten op 3 april 2026. De termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 is overschreden.
3.1.
De overschrijding van deze termijn is in dit geval geheel aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank is echter van oordeel dat deze termijnoverschrijding niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een onrechtmatige voortduring van de bewaring. Aangezien de rechtbank wel overeenkomstig artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000 uitspraak doet op het vervolgberoep binnen één week nadat zij het vooronderzoek had moeten sluiten en de uitspraak wordt gedaan binnen veertien dagen na het instellen van het vervolgberoep, ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring vanwege de enkele genoemde termijnoverschrijding onrechtmatig te achten. Eiser is als gevolg van de termijnoverschrijding niet in zijn belangen geschaad.
4. De minister heeft voor eiser een laissez-passer (l-p) aangevraagd. In de voortgangsrapportage staat dat de Marokkaanse vertegenwoordiger op 23 maart 2026 de nationaliteit van eiser heeft bevestigd. Op 25 maart 2026 wordt een l-p wordt afgegeven en er kan een vlucht worden aangevraagd voor eiser.
4.1.
Eiser voert aan dat hij vooralsnog afwacht of daadwerkelijk een l-p wordt afgegeven en binnen welke termijn. Er zijn echter op dit moment geen concrete aanknopingspunten die er op wijzen dat ten behoeve van eiser geen l-p zal worden verstrekt binnen een redelijke termijn. Eiser heeft verder aangevoerd dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen, er ten onrechte geen lichter middel is opgelegd, de minister onvoldoende voortvarend handelt en er geen zicht op uitzetting is binnen redelijke termijn. Deze stellingen zijn echter op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank ziet in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [4]
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 8 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23317.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 13 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:496.
3.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 10 maart 2026,ECLI:NL:RBDHA:2026:4894.
4.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.