ECLI:NL:RBDHA:2026:819
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht aan Zweden op grond van Dublinverordening
Verzoeker, van Iraakse nationaliteit, had een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel ingediend die door de minister niet in behandeling werd genomen omdat Zweden verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Na een kennelijk ongegronde uitspraak op het beroep van verzoeker, stelde hij verzet in en verzocht hij om een voorlopige voorziening om niet overgedragen te worden aan Zweden en de behandeling van zijn verzet in Nederland af te wachten.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het onderzoek ter zitting achterwege kon blijven en sloot het onderzoek op 20 januari 2026. Gezien het spoedeisend belang van verzoeker, vanwege de geplande overdracht op 22 januari 2026, werd het verzoek beoordeeld. De rechter overwoog dat het verzet zich beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht uitspraak deed zonder verzoeker te horen en dat er geen twijfel over de uitkomst ontstond door nieuwe argumenten.
De overdracht aan Zweden heeft geen onomkeerbare gevolgen omdat bij een latere vaststelling van Nederlandse verantwoordelijkheid verzoeker vanuit Zweden kan worden teruggeleid. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en hoefde de minister geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om overdracht aan Zweden te voorkomen wordt afgewezen.