ECLI:NL:RBDHA:2026:820

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.31033
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake mvv-aanvragen van Jezidi-eisers en de beoordeling van banden met het land van herkomst

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 20 januari 2026, wordt de afwijzing van de mvv-aanvragen van twee Jezidi-eisers voor verblijf bij hun broer in Nederland beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de minister van Asiel en Migratie onvoldoende rekening heeft gehouden met de specifieke situatie van de eisers, die van Iraakse nationaliteit zijn en als Jezidi's te maken hebben met discriminatie en verstoting in Irak. De rechtbank stelt vast dat de besluitvorming een motiveringsgebrek vertoont, omdat de minister niet adequaat heeft getoetst of de emotionele afhankelijkheid tussen de eisers en hun broer voldoende is om te spreken van een beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

De eisers hebben hun aanvragen ingediend na de afwijzing van hun broer, die ook een mvv-aanvraag had gedaan. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om het gebrek in de besluitvorming te herstellen, met een termijn van zes weken. De rechtbank benadrukt dat de minister moet heroverwegen in hoeverre de omstandigheden van de eisers als Jezidi's van invloed zijn op hun banden met het land van herkomst. De uitspraak is openbaar gemaakt en er kan nog geen hoger beroep worden ingesteld tegen deze tussenuitspraak, maar dit kan wel gelijktijdig met een eventuele einduitspraak in de zaak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31033

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer] ,
beiden van Iraakse nationaliteit,
tezamen: eisers,
(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid” bij hun broer [naam] (referent). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de besluitvorming een motiveringsgebrek bevat. De minister heeft bij de beoordeling van de banden met het land van herkomst onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat eisers Jezidi’s zijn. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.

Procesverloop

2. Eisers hebben mvv-aanvragen ingediend voor verblijf bij referent. De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 15 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 juni 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. De jongste broer van eisers ( [naam] ) heeft ook een
mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij referent. De minister heeft die aanvraag met een apart besluit van 15 januari 2024 afgewezen. Omdat de jongste broer is overleden is zijn bezwaar bij besluit van 16 juni 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Herhaling bezwaargronden
3. De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van eisers in beroep dat de bezwaargronden als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de gronden van bezwaar. Het is aan eisers om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de bezwaargronden volgens hen niet juist of toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eisers in beroep hebben aangevoerd.
Heeft de minister bij de beoordeling van de mvv-aanvragen een foutief toetsingskader gehanteerd?
4. Eisers voeren aan dat de minister bij de beoordeling van de mvv-aanvragen van eisers een foutief toetsingskader heeft gehanteerd. De minister had - in ieder geval ten aanzien van eiseres - moeten toetsen of sprake is van hechte, persoonlijke banden in plaats van of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hiertoe voeren eisers aan dat er sprake is geweest van een onrechtmatige verlenging van de beslistermijn in de asielprocedure van referent. Indien de minister wel tijdig had beslist op de asielaanvraag van referent dan hadden de mvv-aanvragen eerder kunnen worden ingediend en was eiseres op dat moment nog minderjarig geweest. In het bestreden besluit heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid om de mvv-aanvragen in te dienen terwijl eiseres nog minderjarig was wel bestond omdat eiseres pas één week na de verlening van de asielvergunning aan referent meerderjarig werd. Het was voor referent immers onmogelijk om binnen één week na verlening van de asielvergunning een aanvraag tot nareis in te dienen omdat hij daarvoor afhankelijk is van de hulp van Vluchtelingenwerk Nederland en deze hulp niet binnen één week gerealiseerd kan worden.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft getoetst of er tussen eisers en referent sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat bij relaties tussen meerderjarige broers en zussen voor het aannemelijk van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than the normal emotional ties’). Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar ‘additional elements of dependancy’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). Niet in geschil is dat eisers op het moment van het indienen van de mvv-aanvragen meerderjarig waren. De minister heeft zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat het moment van indiening van de mvv-aanvragen het peilmoment vormt voor het bepalen van de leeftijd. De onrechtmatige verlenging van de beslistermijn in de asielprocedure van referent valt buiten de omvang van dit geding. Bovendien is niet gebleken dat referent in het kader van zijn asielprocedure rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de verlenging van de beslistermijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister – in ieder geval ten aanzien van eiseres – een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. De rechtbank volgt eisers evenmin in het standpunt ter zitting dat de onrechtmatige overschrijding van de beslistermijn ten onrechte niet is meegewogen bij de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Door eisers is immers niet nader onderbouwd op welke wijze de onrechtmatige verlenging heeft bijgedragen aan de bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Is de minister ten onrechte ervan uitgegaan dat referent feitelijk geen ouderrol vervulde?
5. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat referent feitelijk geen ouderrol vervulde ten aanzien van eisers.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat referent feitelijk een daadwerkelijke ouderrol vervulde ten aanzien van eisers. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat uit de overgelegde documenten niet blijkt dat de vader van eisers en referent geheel uit beeld is. De minister heeft verder van belang kunnen achten dat referent heeft aangegeven voor zijn werk lange perioden van huis te zijn geweest, waardoor het niet mogelijk is geweest om daadwerkelijk de zorg over zijn broertje en zusje te hebben. Daarbij hebben het broertje en zusje van referent in de periode dat referent van huis was zelf beslissingen moeten nemen en zich staande moeten houden. Dat referent zich verantwoordelijk voelde om zorg te dragen voor zijn broertje en zusje en financieel bij te dragen, maakt niet dat daardoor moet worden uitgegaan van een ouderrol.
Heeft de minister bij de beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eiseres een te streng toetsingskader gehanteerd?
6. Eisers voeren verder aan dat in het primaire besluit van 15 januari 2024 een onjuist en te streng toetsingskader is opgenomen ten aanzien van de bijkomende elementen van afhankelijkheid. In het primaire besluit is immers opgenomen dat de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie de gebruikelijke banden tussen familie- en/of gezinsleden zou moeten overstijgen en dat deze banden zo sterk moeten zijn dat als gevolg van scheiding familie- of gezinsleden niet in staat zijn om zelfstandig te functioneren. Eisers wijzen in dit kader op een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 juli 2025. [1]
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.1. volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat, om te bepalen of sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, er sprake moet zijn van ‘additional elements of dependancy’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
6.2.
In het primaire besluit is ten onrechte overwogen dat om te kunnen spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid, sprake moet zijn van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat de betrokkenen niet in staat zijn om zelfstandig te functioneren. Dit betreft een te vergaande toets. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit is overwogen dat de term ‘meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ zoals in de eerste aanleg procedure is gebruikt in het bestreden besluit wordt benoemd als ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’, maar dat het toetsingskader hetzelfde is. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt echter uit het geheel van de besluitvorming dat door de minister het juiste toetsingskader is gehanteerd. Uit het bestreden besluit volgt dat de relevante elementen, zoals opgenomen in rechtsoverweging 6.1, door de minister zijn getoetst. Niet is gebleken dat hierbij een te streng toetsingskader is gehanteerd. De gemachtigde van de minister heeft op zitting verder de verwijzing in het bestreden besluit naar het primaire besluit laten vallen. Nu het juiste toetsingskader is gehanteerd, is de rechtbank dan ook niet gebleken dat sprake is van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eisers?
7. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen en referent. Eisers voeren hiertoe onder meer aan dat zij Jezidi’s zijn en dat zij als gevolg daarvan worden verstoten en gediscrimineerd in Irak. De minister heeft dit onvoldoende betrokken bij de beoordeling. Het standpunt van de minister dat de omstandigheden in Irak geen verband houden met het gezinsleven tussen referent en eisers achten eisers onbegrijpelijk nu de banden met het land van herkomst onderdeel zijn van de toetsing. Eisers wijzen in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 22 april 2025. [2]
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat bij de beoordeling van de emotionele afhankelijkheid dient te worden beoordeeld in welke mate het feit dat eisers Jezidi’s zijn als ook de gebeurtenissen die zij in hun leven hebben meegemaakt doorwerkt in de mate van emotionele afhankelijkheid tussen eisers en referent. Hierbij gaat het om een feitelijke beoordeling.
7.2.
Voor wat betreft de banden met het land van herkomst heeft de gemachtigde van de minister op zitting aangegeven dat in het bestreden besluit ten onrechte is opgenomen dat de asielgerelateerde omstandigheden niet worden meegewogen. Deze overweging heeft de gemachtigde van de minister op zitting dan ook laten vallen. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat eisers hun hele leven in Irak hebben gewoond, de taal spreken en de cultuur kennen. De minister heeft verder overwogen dat het feit dat eisers Jezidi’s zijn en als gevolg daarvan gediscrimineerd worden omstandigheden betreffen die algemeen van aard zijn en gelden voor veel Jezidi’s in Irak. Deze omstandigheden houden volgens de minister geen verband met het gezinsleven tussen eisers en referent en worden daarom niet meegewogen. Hierdoor wordt ervan uitgegaan dat eisers sterke banden hebben met Irak. De rechtbank is, in tegenstelling tot de minister, van oordeel dat het gegeven dat eisers Jezidi’s zijn en als gevolg daarvan te maken hebben met discriminatie weliswaar geldt voor veel Jezidi’s in Irak, maar dat daarmee niet kan worden gesteld dat de omstandigheden enkel algemeen van aard zijn. Het gaat immers om de situatie waarmee ook eisers te maken hebben in Irak, zodat dit eveneens hun individuele feitelijke situatie betreft. Dat eisers hun hele leven in Irak hebben gewoond, de taal spreken en de cultuur kennen maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het feit dat eisers Jezidi’s zijn niet hoeft te worden meegewogen. De discriminatie die zij als gevolg daarvan ervaren, kan immers gevolgen hebben voor de band die zij hebben met Irak, zoals in het geval van eisers ook is aangevoerd. Het standpunt van de minister dat de omstandigheden in Irak geen verband houden met het gezinsleven tussen eisers en referent maakt dit niet anders. Bij de beoordeling van de banden met het land van herkomst gaat het immers om de vaststelling van de feitelijke band van eisers met het land van herkomst.
7.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de banden met het land van herkomst onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat eisers Jezidi’s zijn. De rechtbank constateert daarom een motiveringsgebrek.
7.4.
De rechtbank laat de overige gronden van eisers in het kader van de bijkomende elementen van afhankelijkheid voor nu onbesproken.

Conclusie en gevolgen

8. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op de aanvraag, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet de minister opnieuw beoordelen in hoeverre het feit dat eisers Jezidi’s zijn en de problemen die zij als gevolg daarvan ervaren van invloed zijn bij de beoordeling van de banden met het land van herkomst. De rechtbank stelt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen vast op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.1.
De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én on nodeloze vertraging te voorkomen, zo spoedig mogelijk, maar binnen uiterlijk twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister.
8.2.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent dat de rechtbank over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
  • stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBDHA:2025:13565, rechtsoverweging 5.4.