ECLI:NL:RBDHA:2026:823

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.35592
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 AwbVreemdelingencirculaire 2000Werkinstructie 2020/16
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing mvv-aanvraag wegens onjuist beoordelingskader afhankelijkheid

De zaak betreft de afwijzing van een mvv-aanvraag voor de moeder, broers en zus van de referent. De minister stelde dat er geen sprake was van beschermwaardig familieleven of bijkomende elementen van afhankelijkheid, omdat de familieleden ook zonder elkaar konden functioneren en de referent voldoende zelfstandig was.

De rechtbank oordeelt dat de minister het zelfstandig functioneren als doorslaggevend heeft gehanteerd, wat niet in lijn is met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. De minister heeft geen op het geval toegespitste beoordeling gemaakt van alle relevante feiten en omstandigheden die de afhankelijkheid kunnen aantonen.

De rechtbank bevestigt dat de referent niet onder het jongvolwassenenbeleid valt, maar dat de minister ten onrechte het beoordelingskader voor bijkomende afhankelijkheid heeft beperkt tot zelfstandig functioneren. Hierdoor is het besluit onjuist en wordt het vernietigd.

De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eisers.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag wordt vernietigd wegens een onjuist beoordelingskader omtrent afhankelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35592

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], referent,[naam], moeder van referent,

[naam], broer van referent,
[naam], broer van referent, en
[naam], zus van referent, eisers,
V-nummers: [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer],
(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Geçer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van een mvv [1] voor eisers. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Eisers krijgen gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Referent heeft namens zijn familie op 27 juli 2022 een mvv-aanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 juli 2025, op het bezwaar van eisers, is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent en de gemachtigde van de minister. Namens eisers heeft mr. Van der Woude-Bouius het woord gevoerd. Ook mr. Mulders was aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het primaire besluit
3. De minister heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen, omdat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [2] De weigering om aan de moeder, broers en zus van referent een mvv te verlenen is niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Referent valt niet onder het jongvolwassenenbeleid zoals neergelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc [3] . Dit omdat referent heeft verklaard dat hij al vanaf jongs af aan financiële verantwoordelijkheid draagt voor de gezinsleden. Verder meent de minister dat er geen sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referent en zijn moeder, en tussen referent en zijn broers. Hechte en persoonlijke banden met zijn zusje worden evenmin aangenomen. Omdat er geen familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro is aangenomen, komt de minister niet toe aan een belangenafweging.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden gaat de minister in op dat wat eiseres en referent in bezwaar naar voren heeft gebracht. De minister stelt zich op het standpunt dat referent niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid gezien de ontwikkelde zelfstandigheid. Referent heeft namelijk voorzien in zijn eigen onderhoud door de hoofdverantwoordelijke te zijn voor het vee. De minister heeft bij die beoordeling betrokken dat referent in 2014 of 2015 eenmalig vee en voedsel heeft gekregen van een hulporganisatie. Verder volgt de minister referent en eisers niet in hun stelling dat de moeder referent slechts hielp met het verzorgen van het vee, omdat referent heeft verklaard dat hij voorzag in het levensonderhoud en dat hij zorgde dat er inkomen was. Daarmee heeft referent een grote stap gezet richting zelfstandigheid.
4.1.
Daarnaast heeft de minister bij de beoordeling betrokken dat referent hoofdverantwoordelijke was voor de huishoudelijke taken, de zorg voor de moeder én de zorg voor de jongere broertjes en zusje. Hieruit volgt dat referent op verschillende vlakken juist zorg droeg voor anderen, waardoor de minister het niet aannemelijk acht dat referent nog afhankelijk is van zijn moeder.
4.2.
De minister gaat ook in op de door referent en eisers aangedragen bijzondere omstandigheden, maar die maken volgens de minister niet dat referent in mindere mate zelfstandig is geworden. Het is begrijpelijk dat referent na het overlijden van zijn vader verantwoordelijkheden van hem heeft overgenomen, maar dat neemt niet weg dat referent deze verantwoordelijkheid en daarmee gepaard gaande zelfstandigheid jarenlang heeft uitgeoefend. Het is ook begrijpelijk dat de familie vanwege de nare gebeurtenissen in Irak nader tot elkaar is gekomen, maar dit betekent nog niet dat referent hierdoor minder zelfstandig is geworden. Uit alle verklaringen blijkt overduidelijk dat referent (mede) hoofdverantwoordelijke was voor een groot aandeel van de fundamentele behoeften van het gezin. Volgens de minister is een jongvolwassene die nog tot het gezin van zijn ouders behoort niet in staat om autonoom zonder fysieke aanwezigheid van ouders te leven. Daarvan is in het geval van referent geen sprake, aldus de minister.
4.3.
Omdat referent niet aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid voldoet, heeft de minister getoetst of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid ten aanzien van moeder en de meerderjarige broers. De minister wijst in dit verband onder meer op Werkinstructie 2020/16. [4] De minister blijft erbij dat er geen sprake is van deze bijkomende elementen van afhankelijkheid. Voor de beoordeling daarvan kunnen verschillende factoren van belang zijn. Zo heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat in het geval van referent en zijn moeder geen sprake was van samenwoning om andere redenen dan de gangbare redenen. Er bestaat geen aanleiding om te denken dat de samenwoning tussen referent en zijn familieleden is voortgekomen uit een bepaald element van bijkomende afhankelijkheid. De familieleden kunnen ook zonder de hulp van referent functioneren in het dagelijks leven (of andersom). Er zijn geen andere redenen aangevoerd waarom het samenwonen tussen referent en zijn familieleden noodzakelijk was. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een medische afhankelijkheidsrelatie tussen referent en zijn familieleden. Hoewel de minister begrijpt dat het voor referent en zijn familieleden fijn is dat zij bij elkaar zijn, heeft referent niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder zijn familie niet kan functioneren. In reactie op de stelling van eisers dat de afhankelijkheidsrelatie is ontstaan vanwege de gedeelde ervaringen en de daaruit voortvloeiende trauma’s, het zijn van Jezidi en het langdurig intensief samenwonen in een vluchtelingenkamp, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat referent en zijn familieleden, ondanks de ingrijpende gebeurtenissen, nog zelfstandig en zonder elkaar functioneren. Niet is gebleken dat referent en zijn moeder (en broers) noodzakelijk fysiek bij elkaar moeten zijn. Het intense samenwonen in het vluchtelingenkamp maakt dit volgens de minister niet anders. Van bijkomende elementen van afhankelijkheid is volgens de minister dan ook geen sprake.
4.4.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft de minister alsnog aangenomen dat er tussen het minderjarige zusje en referent sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister heeft daarom ook een belangenafweging gemaakt. De minister meent dat de belangenafweging in het nadeel van referent en zijn minderjarige zusje uitvalt, onder meer omdat het niet wenselijk is om het zusje te scheiden van haar moeder.
Wat vinden referent en eisers?
5. Referent en eisers stellen dat het jongvolwassenenbeleid wel van toepassing is. Referent heeft nooit betaalde arbeid verricht, dan wel op enige manier in zijn eigen onderhoud voorzien. Zij wijzen op passages uit het aanmeldgehoor en het verslag van de hoorzitting. Uit deze verklaringen volgt dat er geen sprake is van werk in de zin van ‘in eigen onderhoud voorzien’. Het gezin woonde in een vluchtelingenkamp waar zij een paar schapen hebben gekregen van een hulporganisatie en verder ontvingen zij af en toe een pakket met hulpgoederen in de vorm van voedsel. Niemand in het gezin kon in zijn eigen onderhoud voorzien. Er was sprake van noodhulp aan het gezin, waarbij referent zijn moeder heeft geholpen om het hoofd boven water te houden.
5.1.
Eisers en referent wijzen erop dat het jongvolwassenenbeleid voorziet in een viertal cumulatieve voorwaarden, waarvan referent aan drie voldoet. De minister breidt de vierde voorwaarde ten onrechte uit naar de zogenaamde ontwikkelde zelfstandigheid van referent, omdat hij grote verantwoordelijkheid zou hebben gedragen voor de huishoudelijke taken en ook overigens voor eisers zou hebben gezorgd. Referent wijst erop dat deze omstandigheden uit nood zijn ontstaan en hem hebben gedwongen tot een bepaalde mate van zelfstandigheid. Dit kan hem niet zonder meer worden tegengeworpen. Het gaat er volgens referent om in hoeverre het kind er vrijwillig voor kiest om zich onafhankelijk op te stellen. Referent wijst erop dat zijn vader in 2007 is overleden en dat het cultureel bepaald is dat de oudste zoon de verantwoordelijkheid draagt voor het gezin. Daarmee heeft hij niet vrijwillig gekozen om zich onafhankelijk van zijn gezin op te stellen. Dit heeft de minister miskend. Referent wijst op een uitspraak van de Afdeling [5] van 29 mei 2024. [6]
5.2.
Subsidiair voeren eisers en referent aan dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en moeder, en referent en broers. Zij voeren aan dat de minister een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd. Zij wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025. [7] Ook bestrijden eisers en referent het standpunt van de minister ten aanzien de door de minister gemaakte belangenafweging ten aanzien van het zusje.
Wat oordeelt de rechtbank ten aanzien van het jongvolwassenenbeleid?
Het toetsingskader
6. De rechtbank stelt eerst vast dat uit WI 2020/16 volgt dat het peilmoment voor de beoordeling van de toepassing van het jongvolwassenenbeleid het moment is van binnenkomst in Nederland van de referent. Als de minister referent op grond van de in de WI 2020/16 genoemde criteria als jongvolwassene aanmerkt, hoeft de minister niet meer te beoordelen of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en wordt beschermwaardig familieleven tussen ouder en meerderjarig kind aangenomen.
6.1.
De referent valt onder dit beleid als het meerderjarige kind:
a. jongvolwassen is;
b. met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft;
c. niet in zijn eigen onderhoud voorziet; en
d. geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of
relatie.
6.2.
Uit de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024 volgt dat de minister, om te bepalen of een meerderjarig valt onder het jongvolwassenbeleid een op het geval toegespitste beoordeling moet maken. [8] De Afdeling oordeelt dat dit aansluit bij de benadering van het EHRM [9] dat de vaststelling van familie- of gezinsleven een feitenkwestie is die afhangt van het bestaan van hechte persoonlijke banden. [10] Ook volgt uit die uitspraak dat de minister in het kader van het jongvolwassenenbeleid als vereiste mag stellen dat een meerderjarig kind niet in zijn eigen onderhoud voorziet, als hij bij de toepassing van dat vereiste alle individuele omstandigheden betrekt in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). Dit betekent dat de minister in zijn beoordeling ook kenbaar moet betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vlucht gerelateerde omstandigheid is. Dit type omstandigheden kan namelijk ook informatie geven voor het antwoord op de vraag of het meerderjarig kind daadwerkelijk financieel onafhankelijk is van zijn ouder(s). [11]
Is het jongvolwassenenbeleid van toepassing?
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat referent niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Eiser is op 22-jarige leeftijd Nederland binnengekomen. De minister heeft bij het oordeel mogen betrekken dat hij heeft verklaard dat hij voor zijn vlucht al werkte door te zorgen voor het vee, dat hij geen financiële ondersteuning van zijn moeder ontving, maar juist hoofdverantwoordelijke was voor de voornaamste bron van leven van het gezin. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat referent op dat moment een zodanig ontwikkelde zelfstandigheid had ontwikkeld zodat hij niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid. De stelling van referent en eisers dat referent nooit betaalde arbeid heeft verricht, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat referent heeft voorzien in zijn onderhoud door de hoofdverantwoordelijke te zijn voor het vee, dat referent heeft verklaard dat hij voorzag in het levensonderhoud en dat hij zorgde dat er inkomen was. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat referent daarmee een grote stap richting zelfstandigheid heeft gezet. Het betoog van referent en eisers dat zij in een vluchtelingenkamp woonden, waar zij een paar schapen hebben gekregen en af en toe een pakket met hulpgoederen, maakt niet dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat referent een grote stap richting zelfstandigheid heeft gezet. De beroepsgrond slaagt niet.
7.1.
Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet onrechte op het standpunt heeft gesteld dat referent (mede) hoofdverantwoordelijke was voor de huishoudelijke taken, de zorg voor de moeder én de zorg voor de jongere broertjes en zusje. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat hieruit volgt dat referent op verschillende vlakken juist zorg droeg voor anderen en dat niet aannemelijk is dat referent nog afhankelijk is van zijn moeder.
7.2.
De betogen van eisers onder 5.1 dat de minister de vierde voorwaarde ten onrechte uitbreidt naar de zogenaamde ontwikkelde zelfstandigheid van referent, dat deze omstandigheden uit nood zijn ontstaan omdat de vader in 2007 is overleden en dat referent daarom niet vrijwillig heeft gekozen om zich onafhankelijk van zijn gezin op te stellen, treffen ook geen doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister deze omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling en daarmee een op het geval van referent toegespitste beoordeling heeft gemaakt. Dat referent stelt noodgedwongen op 8-jarige leeftijd te zijn gaan werken vanwege het overlijden van zijn vader, maakt niet dat de minister, alle omstandigheden in acht genomen, niet heeft kunnen oordelen dat referent op het moment toen hij als 22-jarige zijn land verliet niet al grote stappen richting zelfstandigheid had gezet en niet afhankelijk was van het inkomen van zijn moeder. Mede gelet op de omstandigheid dat hij gedurende een relatief lange periode de hoofdverantwoordelijke was voor het vee, medeverantwoordelijke voor de huishoudelijke taken, de zorg voor de moeder én de zorg voor de jongere broertjes en zusje heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat referent op het peilmoment in zijn eigen onderhoud voorzag.
7.3.
De rechtbank concludeert dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat referent niet valt onder het jongvolwassenenbeleid. Dat betekent dat de rechtbank vervolgens zal beoordelen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van beschermwaardig familieleven vanwege bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent enerzijds en zijn moeder anderzijds.
Wat oordeelt de rechtbank ten aanzien van de bijkomende elementen van afhankelijkheid?
Het toetsingskader
8. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024 [12] moet de minister een op het geval toegespitste beoordeling maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat de door die vreemdeling gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen, zoals de financiële en materiële afhankelijkheid tussen betrokkenen, de gezondheid van betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en het antwoord op de vraag of betrokkenen hebben samengewoond, kunnen bijvoorbeeld een rol spelen. [13] Uit die uitspraak volgt ook dat de minister bij het antwoord op de vraag of een vreemdeling zonder de aanwezigheid van een referent zelfstandig kan functioneren, anders gezegd, het antwoord op de vraag of een vreemdeling exclusief van een referent afhankelijk is, als een onderdeel mag betrekken in haar beoordeling. [14] Maar het vereiste dat de banden zo sterk moeten zijn dat zij niet zonder elkaar kunnen functioneren, of dat een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent en zonder een referent niet zelfstandig kan functioneren, geldt niet. [15]
Is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid?
9. Zoals volgt uit 4.3. heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het samenwonen, de medische afhankelijkheidsrelatie en de afhankelijkheidsrelatie die zou ontstaan vanwege de gedeelde ervaringen, referent en zijn familieleden ook zonder de hulp van elkaar functioneren, zodat van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is gebleken. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 heeft de minister daarmee een onjuist beoordelingskader gehanteerd. De minister heeft door de wijze van toetsen het “zelfstandig functioneren” niet slechts als een onderdeel bij de beoordeling betrokken, maar doorslaggevend geacht. Hoewel de minister daartoe op de zitting in de gelegenheid is gesteld, heeft de minister niet kunnen uitleggen waaruit blijkt dat de minister zich niet heeft beperkt tot een beoordeling van de vraag of referent en zijn familieleden zelfstandig kunnen functioneren. De enkele stellingen van de minister dat de toets daartoe niet is beperkt en dat er meer is betrokken dan de vraag of referent en zijn moeder en broers zonder elkaar kunnen functioneren, zonder daarbij aan te geven wat er nog meer daadwerkelijk bij de beoordeling is betrokken, acht de rechtbank onvoldoende. Daarom heeft de minister niet aantoonbaar een op het geval toegespitste beoordeling gemaakt van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat de door die vreemdeling gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De beroepsgrond slaagt.
Belangenafweging 8 EVRM
10. Aan een beoordeling van de beroepsgronden ten aanzien van de door de minister gemaakte belangenafweging in het kader van het aangenomen beschermenswaardig familieleven tussen referent en zijn zusje komt de rechtbank niet toe gezien het voorgaande. De vraag of sprake is van bijkomende elementen tussen referent en zijn moeder en broers kan van invloed zijn op de te maken belangenafweging.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, [16] omdat de minister een onjuist beoordelingskader aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. Omdat eisers geen griffierecht hebben betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hen te vergoeden.
11.1
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 1868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Vreemdelingencirculaire 2000.
4.Werkinstructie 2020/16 van 18 november 2020.
5.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
7.Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275.
8.Uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, r.o. 8.2.
9.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
10.Uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, r.o. 8.3.
11.Uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, r.o. 8.6.
12.Afdeling 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
13.Afdeling 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 3.1.
14.Afdeling 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 3.2.
15.Afdeling 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 3.3.
16.Zie artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht.