Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
SGR 26/277
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bepaalt termijn voor UWV-beslissing na herbeoordelingsverzoek WIA-uitkering

Eiseres, Stichting DAK kindercentra, heeft namens een (ex-)werkneemster een herbeoordelingsverzoek ingediend bij het UWV over het recht op een WIA-uitkering. Nadat het UWV niet binnen de wettelijke termijn had beslist, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Den Haag wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank constateert dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat dit mede te wijten is aan een tekort aan verzekeringsartsen. Gezien de noodzaak van een medisch advies bij dergelijke zaken, kwalificeert dit als een bijzonder geval volgens artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin een termijn van zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor de besluitvorming is vastgesteld, met een maximum van negen weken na de uitspraak.

Omdat het UWV geen concrete datum voor de medische beoordeling kon geven, legt de rechtbank een termijn van negen weken op waarbinnen het UWV een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor elke dag dat het UWV deze termijn overschrijdt. Het betaalde griffierecht en proceskosten worden aan eiseres vergoed.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en bevestigt het belang van tijdige besluitvorming door het UWV, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden rond de beschikbaarheid van verzekeringsartsen.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken na de uitspraak een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/277

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

Stichting DAK kindercentra, uit Den Haag, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).

Inleiding

1. [(ex-)werkneemster] van eiseres, ontvangt sinds 18 januari 2024 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Op 13 januari 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de
(ex-)werkneemster op de WIA-uitkering.
1.1.
Eiseres heeft op 8 januari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op
21 oktober 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op
23 oktober 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 22 december 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.
4. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
5. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.
5.1.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege het tekort aan verzekeringsartsen.
6. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
6.1.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
6.2.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
7. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift aangegeven dat de zaak onder de aandacht is gebracht, maar dat het niet mogelijk is een inschatting te geven van de afhandelingstermijn. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
8. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.De uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966,
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,
4.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.