Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/, verweerder.
Procesverloop
fiscaal rapport SB voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2021 van de heer [broer van erflater]’ (de broer van erflater). Verweerder heeft tegen overlegging van dit stuk bezwaar gemaakt, omdat hij daarvan geen kennis had en niet in staat was daar ter zitting op te reageren. Gelet op het protest van verweerder – wat naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden rust en terecht is – heeft de rechtbank overlegging van dit stuk geweigerd, omdat het te laat en daarmee in strijd met een goede procesorde is ingediend. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat ook niet is gesteld of gebleken dat dit stuk niet eerder overlegd had kunnen worden.
Overwegingen
4. Welke kwalificerende arbeid heeft plaatsgevonden?” het volgende geantwoord:
- de waarde in het economische verkeer van het door erflater gehouden aandelenbelang in [bedrijfsnaam 1] (de aandelen) per overlijdendatum juist is vastgesteld;
- op de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen de BOR van toepassing is.
- De waarde van de aandelen per overlijdendatum is onjuist vastgesteld, omdat de aandelen gewaardeerd dienen te worden op basis van de rendementswaardemethode bij voortgezette exploitatie van het vastgoed. Op basis hiervan bedraagt de waarde van het aandelenbelang in de nalatenschap € 891.552.
- De erfgenamen kunnen een beroep doen op de BOR voor de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen, omdat sprake is van een vastgoedonderneming welke door de erfgenamen wordt voortgezet.
- De waarde van de aandelen is juist vastgesteld; deze bedraagt per overlijdensdatum € 7.420.000.
- De erfgenamen kunnen geen beroep doen op de BOR voor de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen; er is geen sprake van een onderneming, en zo daar wel sprake van zou zijn geweest, wordt niet voldaan aan het voortzettingsvereiste als bedoeld in artikel 35e van de Sw.
- in verhouding tot de omvang van de vastgoedportefeuille moet worden beoordeeld; en
- dat arbeid dient te worden vergeleken met een belegger in zodanige goederen om te beoordelen of er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer.
up to datete houden, teneinde de huurstroom op peil te kunnen houden. Deze werkzaamheden behoren in beginsel tot hetgeen een willekeurige vastgoedexploitant aan werkzaamheden moet verrichten teneinde het reguliere rendement te kunnen realiseren.
Welke kwalificerende arbeid heeft plaatsgevonden’ (zie rechtsoverweging 22). In beroep hebben de erfgenamen geen wezenlijk andere (aanvullende) werkzaamheden voor het voetlicht gebracht. De rechtbank stelt vast dat de erfgenamen hiermee in wezen stellen dat door de arbeid die gemoeid is met de verhuur van het pand aan de arbeid-plus eis wordt voldaan. De rechtbank volgt de erfgenamen – en daarmee eiseres – daarin niet. In de weergave van de werkzaamheden door de erfgenamen, ziet de rechtbank geen werkzaamheden die omvangrijker zijn dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Al die werkzaamheden vallen naar het oordeel van de rechtbank, ook in samenhang bezien, onder het hiervoor geschetste kader van wat ‘normaal vermogensbeheer’ is. Daarbij overweegt de rechtbank dat de beschreven werkzaamheden – kort gezegd – zien op de verbouwing van het pand, mogelijke verduurzaming in de toekomst en onderhandelingen met de huurder over incentives. Dit zijn, zoals verweerder ook terecht concludeert, allemaal juist werkzaamheden die inherent zijn aan het beheren van onroerend goed en het behalen van een wenselijk rendement; het zijn werkzaamheden die een belegger moet verrichten om zijn bron van inkomen in stand te houden en kwalificeren als normaal vermogensbeheer. Overige werkzaamheden die – al dan niet in samenhang bezien met de andere werkzaamheden – de conclusie kunnen dragen dat wel sprake is normaal vermogensbeheer overstijgende werkzaamheden (arbeid-plus), zijn niet gesteld en zijn ook niet anderszins gebleken.