ECLI:NL:HR:2021:1321
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat exploitatie van onroerende zaken niet altijd materiële onderneming vormt voor geruisloze terugkeer
Belanghebbenden, bestaande uit een BV en haar aandeelhouders, verzochten om toepassing van de geruisloze terugkeer zoals bedoeld in artikel 14c Wet Vpb. De BV exploiteert ongeveer 1.100 garageboxen en 57 bedrijfsruimten. De Inspecteur wees het verzoek af, waarna belanghebbenden in hoger beroep gingen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het Hof oordeelde dat de BV geen materiële onderneming drijft omdat de aard en omvang van de werkzaamheden niet verder gaan dan wat bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, ondanks het actieve huurdersbeleid en de tijdsinvestering. Ook was niet aannemelijk dat het behaalde rendement de normale marktontwikkelingen overstijgt.
In cassatie stelde belanghebbenden dat het Hof niet voldoende had meegewogen dat de BV regelmatig garageboxen koopt, renoveert en voor een hogere prijs verhuurt, wat zou leiden tot een rendementsverbetering boven normaal vermogensbeheer. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat alle werkzaamheden in samenhang moeten worden beoordeeld en dat het oordeel van het Hof over de feitelijke aard van de werkzaamheden niet in cassatie kan worden getoetst.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat de BV geen materiële onderneming drijft in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001 en artikel 14c Wet Vpb. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de BV drijft geen materiële onderneming voor toepassing van artikel 14c Wet Vpb.