Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8365

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 3698
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 1 EP EVRMArt. 3.112 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling eigenwoningforfait en strijd met gelijkheidsbeginsel en eigendomsrecht

Eiser betwist de toepassing van het verhoogde eigenwoningforfaitpercentage van 2,35% op het deel van de woningwaarde boven €1.090.000 voor het jaar 2020, stellende dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (artikel 14 EVRM Pro) en het eigendomsrecht (artikel 1 EP Pro EVRM). Hij voert aan dat de wetgever zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden en dat het onderscheid tussen dure en andere woningen niet objectief gerechtvaardigd is.

De rechtbank stelt vast dat het eigenwoningforfait forfaitair het voordeel uit de eigen woning uitdrukt, bestaande uit woongenot en een beleggingsaspect. De wetgever heeft een redelijke grond om vanaf een bepaald waarderingsniveau een hoger percentage toe te passen, omdat het beleggingsaspect verhoudingsgewijs groter wordt. De motivering van de wetgever is niet evident onredelijk, ook niet gezien budgettaire overwegingen.

Verder is het feit dat eiser in zijn geval verlies heeft geleden op de woning irrelevant, mede omdat hij nog hypotheekrenteaftrek geniet. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de aanslag rechtmatig is vastgesteld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het verhoogde eigenwoningforfaitpercentage is ongegrond verklaard en de aanslag is rechtmatig vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/3698
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. R.J.C. Segers AA RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 14 april 2025 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2020 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2026.
Namens eiser is verschenen, R.J.C. Segers, [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser beschikt in het jaar 2020 samen met zijn fiscaal partner over een eigen woning aan de [adres] (de eigen woning). De ingevolge de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde voor deze woning bedraagt voor het jaar 2020, met waardepeildatum 1 januari 2019, € 3.449.000.
2. Op 7 november 2023 heeft eiser zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 ingediend. Het daarin aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 246.367, bestaande uit looninkomsten van € 252.409 en een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 6.042. Op 22 december 2023 is de aanslag IB/PVV 2020 (de aanslag) overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld. Het negatief saldo inkomsten uit eigen woning is volledig aan eiser toegerekend en als volgt opgebouwd:
Eigenwoningforfait
€ 61.976
Aftrekbare rente (op basis van een eigenwoningschuld van € 2.934.125)
€ 67.955 -/-
Financieringskosten
€ 63 -/-
Saldo (belastbare inkomsten uit eigen woning)
€ 6.042 -/-
3. Bij de berekening van het zogenoemde eigenwoningforfait is 0,60% toegepast op de eigenwoningwaarde tot € 1.090.000 (€ 6.540) en 2,35% op de waarde daarboven, dus € 2.359.000 (€ 55.436).
Geschil
4. In geschil is het negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 6.042. Meer specifiek is in geschil of het verhoogde percentage voor de berekening van het eigenwoningforfait op regelniveau in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 14 van Pro het EVRM. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag is vastgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen.
5. Eiser stelt dat het verhoogde percentage voor de berekening van het eigenwoningforfait op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP Pro. Volgens eiser heeft de wetgever de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid (‘wide margin of appreciation’) overschreden. De zogenoemde villabelasting kent een gebrekkige motivering, omdat de belasting is gebaseerd op de ongefundeerde aanname dat bij woningen boven een bepaald bedrag (‘dure woningen’) het beleggingsaspect een relatief grotere rol zou spelen. Uit onderzoek uitgevoerd door Calcasa blijkt juist dat het verloop van de waardeontwikkeling bij ‘dure woningen’ slechts minimaal afwijkt van die bij andere woningen. Dit betekent ook dat geen sprake is van twee categorieën eigen woningen (‘dure’ en andere eigen woningen) maar van één categorie (de eigen woning), waardoor de zwaardere vorm van belastingheffing van ‘dure woningen’ in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Ter zitting heeft eiser nog opgemerkt dat in sommige gevallen in het geheel geen sprake is van een belegging(srendement), zo heeft eiser de woning in 2024 verkocht met een verlies van ongeveer € 1.500.000. Eiser concludeert primair tot beperking van het eigenwoningforfait tot een bedrag van € 6.540 (0,60% van € 1.090.000); subsidiair tot beperking van het eigenwoningforfait tot het plafondbedrag uit 2008 van € 9.300 (al dan niet geïndexeerd); en meer subsidiair tot beperking van het eigenwoningforfait tot een bedrag van € 20.694 (0,60% van € 3.449.000).
6. Verweerder stelt dat het verhoogde percentage voor de berekening van het eigenwoningforfait op regelniveau niet in strijd is met artikel 1 EP Pro en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
7. Het eigenwoningforfait is opgenomen in artikel 3.112 van de Wet IB 2001. Het eerste lid van genoemd artikel luidt (tekst 2020):
1. De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van:
Meer dan
Maar niet meer dan
Op jaarbasis gesteld op
-
€ 12.500
nihil
€ 12.500
€ 25.000
0,20% van deze waarde
€ 25.000
€ 50.000
0,35% van deze waarde
€ 50.000
€ 75.000
0,45% van deze waarde
€ 75.000
€ 1.090.000
0,60% van deze waarde
€ 1.090.000
-
€ 6.540 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.090.000.
8. De regeling van het eigenwoningforfait berust op het uitgangspunt dat de eigen woning voor de inkomstenbelasting als bron van inkomen geldt. Van oudsher strekte deze regeling ertoe het woongenot te belasten alsof de belastingplichtige zijn eigen woning verhuurt aan een derde. De Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), het Besluit IB 1941 en de Wet op de inkomstenbelasting 1914 kenden een bepaling met dezelfde strekking. De tot het inkomen te rekenen huurwaarde werd vanaf 1963 afgeleid van de huurwaarde voor de personele belasting. Met ingang van 1971 is (met artikel 42a van de Wet IB 1964) voor een eenvoudige forfaitaire benadering gekozen. Uit de wetsgeschiedenis van het laatstgenoemde artikel volgt: [1]
“(…) De grondgedachte daarachter is een simpele methodiek, waarbij de bruto-huurwaarde het uitgangspunt is. Deze is gerelateerd aan de huurontwikkeling. Vervolgens komen de hiervoor genoemde kosten op genormeerde en geforfaiteerde wijze in mindering, terwijl voorts de bijzondere positie van de eigen woning als bron van inkomen verwerkt wordt door een aftrek. Aldus resulteert een netto forfait.”.
9. In de memorie van toelichting bij de Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008) staat - voor zover hier van belang - het volgende over het in artikel 3.112 van de Wet IB 2001 opgenomen eigenwoningforfait van 2,35%: [2]
“In het kader van evenwichtige maatregelen voor diverse inkomens- en vermogensgroepen is ook gekeken naar de huidige vormgeving van het eigenwoningforfait. De hoogte van het destijds nog als huurwaardeforfait aangeduide eigenwoningforfait werd vóór de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaald door de eigen woning te beschouwen als een mix van een belegging (wat een heffing in de inkomstenbelasting rechtvaardigt) en een besteding (wat niet leidt tot een heffing in de inkomstenbelasting). Van een directe koppeling van de hoogte van het eigenwoningforfait aan deze twee aspecten is echter onder de sinds 1 januari 2001 geldende regeling geen sprake meer. Wij wijzen in dit verband op de wijze van indexering van het eigenwoningforfait met de huurindex en de waardeontwikkeling. Wel kan worden aangenomen dat vanaf een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen, hetgeen een hoger eigenwoningforfaitpercentage rechtvaardigt. Het eigenwoningforfait heeft in dat opzicht de laatste jaren de ontwikkeling op de woningmarkt, met name het topsegment, onvoldoende gevolgd. (…)
Daarnaast wordt in dit kader voorgesteld een hoger percentage (2,35) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 miljoen of meer, maar alleen voor het deel van de eigenwoningwaarde dat uitkomt boven € 1 miljoen. De grens is bij € 1 miljoen gelegd, aangezien naar onze mening vanaf dit waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen. De verhoudingswijze grotere rol van het beleggingsaspect rechtvaardigt ook een hoger percentage, dat op grond van dit voorstel op 2,35 is gesteld. De hiervoor genoemde grens van € 1 miljoen wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie via indexatie. (…).
Artikel 3.112, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt de hoogte van het in aanmerking te nemen eigenwoningforfait. Momenteel wordt vanaf een waarde van € 75 000 eenzelfde percentage van 0,55% als voordeel uit eigen woning in aanmerking genomen, zij het dat er wel een absoluut maximum geldt. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar de verschillende waarden van woningen in dit segment. Zo wordt bijvoorbeeld voor een woning met een waarde van € 80 000 eenzelfde procentueel voordeel in aanmerking genomen als voor een woning met een waarde van € 400 000 en een woning met een waarde van € 800 000. Vanaf een waarde van € 1 mln achten wij dit niet langer gewenst en daarom wordt – mede ingegeven door budgettaire overwegingen – voorgesteld per 1 januari 2009 een hoger percentage (2,35%) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 mln of meer. Deze verhoging geldt echter alleen voor het deel van de waarde dat uitgaat boven € 1 mln.”.
10. De Nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2008 bevat de volgende nadere toelichting op het eigenwoningforfaitpercentage van 2,35: [3]
“De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet het percentage van 2,35% in het voorstel tot aanpassing van het eigenwoningforfait nader kan motiveren vanuit de mix van beleggen en besteden. Hierop kan ik genoemde leden antwoorden dat in het algemeen geldt dat aan een eigen woning economisch gezien zowel een bestedingsaspect te onderkennen valt (verkrijging van woongenot) als een beleggingsaspect. Het eigenwoningforfait geeft forfaitair uitdrukking aan het totale voordeel dat iemand heeft van zijn eigen woning. In het kader van een evenwichtig pakket aan maatregelen is gekeken of hele dure woningen op basis van de huidige regeling rond het eigenwoningforfait fiscaal reëel worden behandeld. Dat is niet het geval. In 2007 geldt een bijtelling (eigenwoningforfait) van 0,55% van de WOZ-waarde. Die bijtelling heeft een maximum van € 9 150. Dat betekent dat iemand met een woning van € 2 miljoen in 2007 een bijtelling krijgt van € 9 150 maar iemand met een woning van € 5 miljoen ook. Dure woningen worden op deze manier niet op een reële manier in de heffing betrokken. De eventuele extra renteaftrek wordt wel verleend, maar de bijtelling wordt niet hoger. Het kabinet stelt daarom twee maatregelen voor: vanaf 2009 vervalt het plafond in het eigenwoningforfait. Verder geldt dan voor het deel van de waarde van een woning boven € 1 miljoen een eigenwoningforfait van 2,35% van de WOZ-waarde.”.
11 In 2005 is met de zogenoemde Wet Hillen een aftrek op het eigenwoningforfait ingevoerd wegens geen of een geringe eigen woningschuld. Deze aftrek wordt sinds 2019 stapsgewijs afgebouwd. De wetgever heeft de volgende argumenten gegeven voor de (geleidelijke) afbouw van het recht op aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld: [4]
“Het recht op aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld ontstaat als het eigenwoningforfait (EWF) hoger is dan de daarop drukkende aftrekbare kosten. De aftrek wordt gesteld op het verschil tussen beide posten. Belangrijke reden voor de introductie van deze maatregel met ingang van 2005 was om de aflossing van de eigenwoningschuld te bevorderen. De regeling Hillen heeft tot gevolg dat de inkomsten uit de eigen woning de facto op nihil worden gesteld. Daarmee wordt bewust afgeweken van het feit dat de eigen woning in de inkomstenbelasting een bron van inkomen vormt. Als gevolg van de per 2013 ingevoerde aflossingseis voor eigenwoningschulden is een extra stimulering voor een versnelde aflossing door de regeling Hillen echter niet meer noodzakelijk. Door de aflossingseis komen belastingplichtigen bovendien veel eerder in aanmerking voor toepassing van die regeling. Hierdoor is de regeling op termijn financieel onhoudbaar. De geraamde kosten van de regeling Hillen bedroegen in 2015 in totaal € 556 miljoen. Vooral door de met ingang van 1 januari 2013 ingevoerde aflossingseis neemt het budgettaire belang sterk toe, tot € 1,1 miljard in 2042. Het voorgaande is reden om deze regeling af te schaffen. Het kabinet heeft gekozen voor een afbouw van de regeling in kleine stappen. Hiermee worden de aan de beëindiging van de regeling verbonden gevolgen – waarbij het deel van het EWF waar geen daarop drukkende aftrekbare kosten tegenover staan tot het belastbare inkomen wordt gerekend – gemitigeerd.”
12. Het heffen van belasting is een inmenging in het door artikel 1 EP Pro gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd; de tweede alinea van deze bepaling voorziet in een uitzondering om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. [5] Bij de beoordeling of de heffing over inkomsten uit de eigen woning op stelselniveau die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. [6]
13. Bij deze proportionaliteitstoets komt ook het in artikel 14 van Pro het EVRM neergelegde discriminatieverbod in beeld. Artikel 14 EVRM Pro verbiedt een als discriminatie aan te merken ongelijke behandeling. Van discriminatie is sprake indien personen die in gelijke situaties verkeren zonder objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond anders worden behandeld. [7] Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat het de ‘fair balance’ respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. [8] Indien het - zoals in het onderhavige geval - niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot. [9]
14. Naar het oordeel van de rechtbank is de wetgever gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid. Het eigenwoningforfait geeft forfaitair uitdrukking aan het totale voordeel dat iemand heeft van zijn eigen woning (verkrijging van woongenot en een beleggingsaspect). Het percentage voor het berekenen van het eigenwoningforfait is gesteld op 0,60 voor een waarde tot een bepaald bedrag (in 2020: € 1.090.000) en 2,35 voor het gedeelte van de waarde daarboven. Er is dus onderscheid gemaakt tussen belastingplichtigen met een eigen woning waarvan de waarde boven en onder een bepaald grensbedrag ligt. De wetgever heeft die gevallen kennelijk als ongelijk beschouwd. Volgens de wetgever kan namelijk worden aangenomen dat vanaf een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen, hetgeen een hoger eigenwoningforfaitpercentage rechtvaardigt. De wetgever heeft de wetgeving met redenen omkleed. Eiser heeft daarbij kanttekeningen geplaatst die hout snijden, maar dit laat onverlet dat niet kan worden geoordeeld dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot. Dat de wetgever ook budgettaire aspecten in zijn beoordeling heeft betrokken, en daarbij heeft gekozen voor een percentage van 2,35, maakt een en ander ook niet anders; budgettaire aspecten zijn immers inherent aan (vrijwel) elke maatregel op het gebied van belastingheffing.
15. Wat eiser verder nog heeft aangevoerd, waaronder het feit dat in zijn geval in het geheel geen sprake is geweest van beleggingsrendement maar van een groot verlies, doet aan het voorgaande niet af. Bovendien geniet eiser in het onderhavige jaar nog steeds een hypotheekrenteaftrek, waardoor per saldo geen sprake is van een bijtelling.
16. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Plukaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1996/97, 25 052, nr. 7, p. 13.
2.Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 3, p. 31 en p.51.
3.Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 9, p. 44.
4.Kamerstukken II 2017/18, 34 819, nr. 3, p. 1-2.
5.EHRM 5 januari 2000, ECLI:CE:ECHR:2000:0105JUD00332029 (Beyeler tegen Italië).
6.Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.
7.EHRM, 27 mei 2014, nr. 18485/14, (Berkvens), r.o. 28.
8.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
9.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1789, r.o. 4.2.2 en Hoge Raad 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1211, r.o. 3.3.1.