ECLI:NL:RBDHA:2026:8425
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren, maar de gemachtigde wel contact onderhield met eiser.
De rechtbank oordeelt dat eiser nog procesbelang heeft bij de inhoudelijke behandeling van het beroep, ondanks zijn vertrek met onbekende bestemming, omdat de gemachtigde nog contact met hem onderhoudt. De rechtbank bevestigt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië, aangezien eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Kroatië.
Verder faalt het beroep van eiser dat de minister artikel 16 van Pro de Dublinverordening onjuist toepast, omdat eiser niet heeft onderbouwd dat zijn familieleden rechtmatig in Nederland verblijven en dat er sprake is van afhankelijkheid. Ook is het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening afgewezen, omdat de minister geen aanleiding had om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen gezien het ontbreken van concrete aanwijzingen voor onevenredige hardheid.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het besluit van de minister. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.