ECLI:NL:RBDHA:2026:8438
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit Oekraïense derdelander zonder duurzame relatie voorafgaand conflict
De zaak betreft het beroep van een Oekraïense derdelander tegen een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. De minister had tijdelijke bescherming verleend, maar deze beëindigd per 4 maart 2024. Op 11 augustus 2025 werd het terugkeerbesluit genomen, waarna eiser beroep instelde.
Eiser stelde dat hij een verblijfsrecht ontleent aan een duurzame relatie met zijn Oekraïense partner, die hij sinds juni 2021 zou hebben. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze relatie bestond vóór 24 februari 2022, de relevante datum voor tijdelijke bescherming. De overgelegde documenten waren te laat gedateerd en andere bewijsstukken ontbraken.
Verder wees de rechtbank de bezwaren van eiser af dat het terugkeerbesluit prematuur was genomen, dat de minister toezeggingen had gedaan die rechten scheppen, dat geen individuele belangenafweging was gemaakt, dat artikel 8 EVRM Pro werd geschonden, dat er een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer zou zijn en dat de minister de hoorplicht had geschonden.
De rechtbank concludeerde dat het terugkeerbesluit rechtmatig is genomen, dat eiser geen verblijfsrecht heeft op grond van zijn relatie, en dat het beroep ongegrond is. Eiser hoeft geen griffierecht te betalen en krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.