Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet, alsmede een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld en vastgesteld dat het voortraject van de maatregel buiten de reikwijdte van het beroep valt.
Eiser betoogde onder meer dat het gebruik van handboeien onvoldoende was gemotiveerd en dat de omzetting van de maatregel niet tijdig zou zijn gebeurd. De rechtbank oordeelde dat verweerder de maatregel tijdig heeft omgezet binnen de wettelijke termijn van twee dagen en dat het gebruik van handboeien in het voortraject niet onderwerp van het beroep is.
Verder stelde eiser dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Algerije bestaat vanwege het ontbreken van reactie op de laissez-passer aanvraag. De rechtbank stelde vast dat er wel zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede gelet op recente jurisprudentie en het feit dat de aanvraag nog in behandeling is.
De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico op ontduiking van toezicht en het niet meewerken aan vaststelling identiteit, niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd. Ambtshalve toetsing leidde niet tot onrechtmatigheid van de maatregel.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.