ECLI:NL:RBDHA:2026:856

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63497
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b VbRichtlijn 2008/115Art. 5 Richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet, alsmede een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld en vastgesteld dat het voortraject van de maatregel buiten de reikwijdte van het beroep valt.

Eiser betoogde onder meer dat het gebruik van handboeien onvoldoende was gemotiveerd en dat de omzetting van de maatregel niet tijdig zou zijn gebeurd. De rechtbank oordeelde dat verweerder de maatregel tijdig heeft omgezet binnen de wettelijke termijn van twee dagen en dat het gebruik van handboeien in het voortraject niet onderwerp van het beroep is.

Verder stelde eiser dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Algerije bestaat vanwege het ontbreken van reactie op de laissez-passer aanvraag. De rechtbank stelde vast dat er wel zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede gelet op recente jurisprudentie en het feit dat de aanvraag nog in behandeling is.

De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico op ontduiking van toezicht en het niet meewerken aan vaststelling identiteit, niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd. Ambtshalve toetsing leidde niet tot onrechtmatigheid van de maatregel.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63497
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 25 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het gebruik van handboeien in het voortraject
1. Eiser betoogt dat uit het proces-verbaal van eisers aanhouding op 20 december 2025 blijkt dat gebruik is gemaakt van handboeien, maar dat de rechtvaardiging van een dergelijk dwangmiddel niet voldoende gemotiveerd is.
2. De rechtbank stelt vast dat de ophouding van eiser van 20 december 2025 het voortraject vormt van de bewaringsmaatregel van 21 december 2025. Deze bewaringsmaatregel is reeds beoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 januari 2026 (zaaknummer NL25.62554). Het voortraject valt daarom buiten de reikwijdte van het onderhavige beroep.
De tijdige omzetting van de maatregel
3. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat niet controleerbaar is of de bewaringsmaatregel van 21 december 2025 tijdig is omgezet naar de huidige maatregel van bewaring, omdat het tijdstip van de intrekking van eisers asielaanvraag niet is weergegeven.
4. Met betrekking tot de tijdige omzetting van de maatregel is de rechtbank van oordeel dat verweerder beschikt over een termijn van twee dagen om bij een wijziging van de grondslag een bewaringsmaatregel om te zetten, en niet over een termijn van 48 uur. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1869). De rechtbank stelt vast dat eiser zijn asielaanvraag op 23 december 2025 heeft ingetrokken en dat de onderhavige maatregel van bewaring op 25 december 2025 is opgelegd. Daarmee heeft verweerder de grondslag van de maatregel tijdig omgezet. De beroepsgronden ten aanzien van voortraject slagen, gelet op het voorgaande, niet.

Bewaringsgronden

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Zicht op uitzetting
7. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is, nu de Algerijnse autoriteiten niet hebben gereageerd op de voor eiser ingediende laissez-passer (lp) aanvraag. In dit verband verwijst eiser naar uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19983, en met name overweging 29 en 30.
8. De rechtbank overweegt dat (sinds december 2023) in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. De rechtbank verwijst in dit
verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27
februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722).
9. Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt dat op 31 december 2025 voor eiser een lp-aanvraag is ingediend en dat deze nog in behandeling is bij de Algerijnse autoriteiten. Dat er na een week geen (positieve) reactie van de Algerijnse autoriteiten is ontvangen, betekent niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. In de door eiser aangehaalde uitspraak was sprake van een andere situatie, nu dit een vervolgberoep betrof waarbij na de ingediende lp-aanvraag reeds viermaal was gerappelleerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in eisers geval niet is komen te ontbreken. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

10. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
10. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 januari 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.