ECLI:NL:RBDHA:2026:8579

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
NL25.39862
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J F.I. Sinack
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
994 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij niet tijdig beslissen asielaanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft op het beroep niet gereageerd. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat verweerder op 9 december 2025 een besluit op de asielaanvraag heeft genomen, waartegen eiser afzonderlijk beroep heeft ingesteld.

Op grond van artikel 6:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geldt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen tevens gericht is tegen het alsnog genomen besluit. Omdat eiser tegen dat besluit al een afzonderlijk beroep heeft ingesteld, heeft hij in deze procedure geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel. Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

De rechtbank veroordeelt verweerder wel in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467, vanwege het terecht ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank wijst tevens op de wettelijke beslistermijnen en de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen niet tijdig beslissen, en bespreekt de gevolgen van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken en de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via een geanonimiseerde publicatie.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser tegen het genomen besluit al een afzonderlijk beroep heeft ingesteld.

Uitspraak

Uitspraak buiten zitting

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39862
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Verweerder heeft hier niet op gereageerd.
De rechtbank ziet aanleiding om de zaak vereenvoudigd af te doen. [2]

Overwegingen

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat verweerder op 9 december 2025 op de asielaanvraag van eiser heeft beslist. Tegen die beschikking heeft eiser afzonderlijk beroep ingesteld. Dat beroepschrift is geregistreerd onder nummer NL26.456.
Uit artikel 6:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht volgt dat het hier voorliggende beroep van rechtswege tevens gericht is tegen het alsnog genomen besluit. Omdat eiser tegen dat besluit afzonderlijk beroep heeft ingesteld, heeft hij in de huidige procedure gericht tegen het niet-tijdig beslissen echter geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Aangezien terecht beroep is ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen is er wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze kosten vast op een bedrag van € 467, op basis van 1 punt (à € 934) voor het indienen van het beroepschrift en een factor 0,5 (lichte zaak).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan op 7 april 2026 door mr. J F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van A. Hiddouch, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl. (http://www.rechtspraak.nl/)

Bijlage

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [3]
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [4] Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [5]
Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023/3 [6] de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd, [7] is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd. [8] Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Voor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht. [9] Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.
Als verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [10] Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [11]
De rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. [12] Dit is de rechterlijke dwangsom.
Als eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. [13] De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en/of een dwangsom is verbeurd.
De rechtbank legt een hogere rechterlijke dwangsom op als verweerder niet heeft beslist binnen de termijn die de rechtbank heeft bepaald in een eerdere rechterlijke uitspraak. Indien de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom nog niet is volgelopen, bepaalt de rechtbank dat verweerder de aan de onderhavige uitspraak verbonden rechterlijke dwangsom verbeurt met ingang van de dag nadat de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is volgelopen.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.
5.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
6.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.
7.Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.
8.Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.
10.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
11.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
12.Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
13.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.