Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn van zes maanden, zoals voorgeschreven in de Vreemdelingenwet 2000, is overschreden en dat de verlenging van negen maanden onvoldoende is gemotiveerd. Hierdoor ontbreekt de rechtsgrond voor de verlenging en is het beroep gegrond.
De rechtbank draagt de minister van Asiel en Migratie op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een rechterlijke dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt. Daarnaast worden proceskosten van € 467 aan eiser toegekend.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is gebaseerd op de toepasselijke wettelijke bepalingen, waaronder de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank benadrukt dat bij het niet tijdig beslissen een beroep kan worden ingesteld en dat de rechterlijke dwangsom een middel is om naleving van de beslistermijn af te dwingen.
De uitspraak bevat tevens een toelichting op de procedurele vereisten voor het instellen van beroep tegen niet tijdig beslissen en de gevolgen van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND. De rechtbank wijst erop dat de minister bij overschrijding van de termijn de dwangsom verschuldigd is en dat eiser een vergoeding voor rechtsbijstand ontvangt.
Tot slot wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.