ECLI:NL:RBDHA:2026:868

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/09/687261 / HA ZA 25-554
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:97 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens onrechtmatige vergunningweigering vuurwerkverkoop

Eiser exploiteerde sinds 2000 een vuurwerkverkoopbedrijf en diende in 2017 en 2018 aanvragen in voor verlenging van zijn vuurwerkverkoopvergunning, die door de Gemeente Den Haag onrechtmatig werden geweigerd. Na een uitspraak van de Raad van State werd de vergunning met terugwerkende kracht verleend. Eiser vordert een aanvullende schadevergoeding omdat hij meent meer schade te hebben geleden dan reeds vergoed.

De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij meer schade heeft geleden dan reeds is vergoed. De deskundigen van partijen kwamen tot verschillende schadebedragen door uiteenlopende uitgangspunten, waarbij de rechtbank het rapport van eiser niet volgt. De rechtbank oordeelt dat de onderneming niet definitief verloren is gegaan en dat schade niet eeuwigdurend berekend moet worden.

Voorts moet bij de schadeberekening rekening worden gehouden met de gevolgen van de coronapandemie en de landelijke vuurwerkverboden in 2020 en 2021, omdat deze omstandigheden na de peildatum bekend waren en de schade daardoor nihil was in die jaren. Eiser heeft ook geen recht op aanvullende wettelijke rente over het reeds betaalde schadebedrag, omdat hij naliet een bankrekeningnummer te verstrekken waardoor betaling werd vertraagd.

De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/687261 / HA ZA 25-554
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
handelend onder de naam [bedrijf] , te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.H.M. Zuidervliet,
tegen
GEMEENTE DEN HAAGte Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. I. de Kroes.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
[eiser] verkocht vanaf 2000 vuurwerk via zijn eenmanszaak ‘ [bedrijf] ’. Als gevolg van twee onrechtmatige besluiten van de Gemeente – waarbij de aanvraag van [eiser] voor een hernieuwde vuurwerkverkoopvergunning werd geweigerd – heeft [eiser] schade geleden. De Gemeente heeft hiervoor reeds een schadebedrag aan [eiser] betaald. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij meer schade heeft geleden dan de Gemeente aan hem heeft vergoed en vordert in deze procedure (onder meer) de volgens hem resterende schadevergoeding. Hij onderbouwt zijn vordering met een schaderapport van een door hem ingeschakelde deskundige. De rechtbank oordeelt dat [eiser] , tegenover de gemotiveerde betwisting door de Gemeente, niet heeft aangetoond meer schade te hebben geleden dan al aan hem is vergoed. De rechtbank wijst zijn vorderingen daarom af.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 17 juni 2025 met producties 1 tot en met 18;
- de akte wijziging van eis met productie 19;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11;
- de door de advocaten tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotities.
2.2.
Op 18 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
[eiser] verkocht sinds 2000 vuurwerk via zijn eenmanszaak ` [bedrijf] '. In oktober 2017 heeft [eiser] een verlening/vernieuwing van zijn vuurwerkverkoopvergunning aangevraagd bij de Gemeente. De Gemeente heeft deze aanvraag bij besluit van 8 december 2017 afgewezen. [eiser] heeft op 7 februari 2018 een hernieuwde aanvraag voor dezelfde vergunning ingediend, welke aanvraag bij besluit van de Gemeente van 29 februari 2018 eveneens is afgewezen.
3.2.
[eiser] heeft tegen beide afwijzingen bezwaar en (hoger) beroep ingesteld. Uiteindelijk heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraken van 25 november 2020 [1] het hoger beroep van [eiser] tegen de uitspraken van de rechtbank van 3 oktober 2019 gegrond verklaard. Hierna heeft de Gemeente bij besluit van 30 november 2021 het oorspronkelijke besluit van 8 december 2017 herroepen en alsnog met terugwerkende kracht vanaf 8 december 2017 aan [eiser] een vuurwerkverkoopvergunning verleend voor de duur van zes jaar. De Gemeente heeft geen nieuw besluit genomen ten aanzien van het besluit van 29 maart 2018, gelet op de inmiddels reeds bij besluit van 30 november 2021 verleende vuurwerkvergunning.
3.3.
Tussen partijen staat vast dat de besluiten van 8 december 2017 en 29 maart 2018 onrechtmatig waren.
3.4.
In 2020 en 2021 zijn er in verband met de uitbraak van COVID-19 (Corona) landelijke vuurwerkverboden geweest met betrekking tot de verkoop en het afsteken van consumentenvuurwerk.
3.5.
[eiser] heeft de vuurwerkverkoop na het (alsnog) verkrijgen van de vuurwerkverkoopvergunning niet hervat.
3.6.
Partijen zijn met elkaar in overleg getreden over de vergoeding door de Gemeente van de door [eiser] geleden schade als gevolg van de onrechtmatige besluiten van de Gemeente. [eiser] heeft International Business Valuers (hierna: IBV) als deskundige ingeschakeld om te adviseren over deze schade. De Gemeente heeft Crawford & Company (hierna: C&C) ingeschakeld om haar als deskundige bij te staan in de schadebegroting.
3.7.
Bij rapport van 22 augustus 2022 heeft IBV de schade van [eiser] begroot op een bedrag van € 518.079,-, exclusief wettelijke rente. Op verzoek van de Gemeente heeft C&C het rapport van IBV beoordeeld en daarover geadviseerd. Bij rapport van 20 januari 2023 heeft C&C de schade begroot op € 164.749,-, exclusief wettelijke rente. Bij brief van 31 januari 2023 heeft de Gemeente aan de advocaat van [eiser] aangegeven voornoemd schadebedrag aan [eiser] te willen uitkeren en in dit verband verzocht om een bankrekeningnummer te verstrekken.
3.8.
Op 30 maart 2023 heeft een overleg plaatsgevonden tussen IBV en C&C over de te hanteren uitgangspunten bij de schadebegroting.
3.9.
Bij e-mailberichten van 1 juni 2023 en 5 juni 2023 heeft de Gemeente de advocaat van [eiser] (nogmaals) verzocht een bankrekeningnummer te verstrekken om de Gemeente in staat te stellen het schadebedrag inclusief de wettelijke rente aan [eiser] uit te keren. De Gemeente heeft hierbij aangegeven dat, indien zij binnen zeven dagen geen bankrekeningnummer ontvangt, zij geen wettelijke rente zal betalen over de periode na 8 juni 2023. De advocaat van [eiser] heeft binnen de genoemde termijn geen bankrekeningnummer verstrekt.
3.10.
Op 7 juni 2023 heeft IBV naar aanleiding van het overleg met C&C een gewijzigde schadebegroting opgesteld waarbij de schade van [eiser] (in het kader van het beproeven van een minnelijke regeling) is begroot op € 247.662,- exclusief rente en kosten. C&C heeft bij e-mail van 29 juni 2023 vragen gesteld over de door IBV gehanteerde uitgangspunten bij deze begroting. IBV heeft hierop bij e-mail van 4 september 2023 gereageerd.
3.11.
Bij brief van 3 november 2023 heeft de Gemeente een (door C&C herrekende) schadevergoeding van € 135.317,- exclusief rente en kosten aangeboden aan [eiser] . [eiser] heeft dit aanbod niet geaccepteerd. Bij brief van 6 november 2024 heeft [eiser] inhoudelijk op het aanbod gereageerd en bij deze reactie een memorandum van IBV gevoegd.
3.12.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2025 is het verzoek van [eiser] om een voorlopig deskundigenonderzoek te gelasten teneinde de omvang van de door hem geleden schade te bepalen, afgewezen. De rechtbank overwoog hiertoe met de Gemeente van oordeel te zijn dat het twistpunt dat partijen verdeeld houdt — namelijk de uitgangspunten die aan de schadebegroting ten grondslag moeten liggen — juridisch van aard is, en dat een oordeel daarover is voorbehouden aan de rechter die oordeelt over een vordering tot schadevergoeding. Bij de vaststelling van de omvang van de schade van [eiser] moet de deskundige immers bepaalde uitgangspunten hanteren om die schade rekenkundig vast te kunnen stellen. Partijen zijn het over deze uitgangspunten niet eens.. Hierom is het verzoek als niet ter zake dienend afgewezen.
3.13.
De Gemeente heeft op 24 april 2025 een bedrag van € 150.000,- (schadevergoeding plus wettelijke rente) als voorschot onder algemene titel aan [eiser] voldaan, gevolgd door een bedrag van € 11.850,- op 16 juni 2025 bestaande uit een vergoeding voor de kosten van de deskundige (IBV) van € 9.649,75 en een extra voorschot van € 2.200,63 aan rentekosten. Op 4 augustus 2025 heeft de Gemeente een bedrag van € 14.360,- aan buitengerechtelijke kosten voldaan. De Gemeente heeft toegezegd de reeds aan [eiser] uitgekeerde bedragen niet te zullen terugvorderen.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert na vermindering van eis – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de Gemeente veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
€ 382.762,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017, althans 20 november 2020, althans vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de datum van volledige betaling;
II. de Gemeente veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
€ 22.174,09 aan wettelijke rente in verband met de betaling van € 135.317, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
III. de Gemeente veroordeelt in de kosten van de onderhavige procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de Gemeente na betekening van dit vonnis met voldoening van deze kosten in verzuim is, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van volledige betaling.
4.2.
[eiser] voert daartoe – samengevat – aan dat hij als gevolg van de onrechtmatige besluiten van de Gemeente meer schade heeft geleden dan de Gemeente tot nu toe aan hem heeft vergoed. Ter onderbouwing van zijn vordering verwijst [eiser] naar het op zijn verzoek door IBV opgestelde schaderapport. Volgens [eiser] heeft de (de expert die is ingeschakeld door) de Gemeente onjuiste uitgangspunten gehanteerd bij de berekening van de schade en is de schadevergoeding daarom ten onrechte te laag vastgesteld. Zo heeft de Gemeente onterecht de gevolgen van de Coronapandemie verdisconteerd in de schadeberekening en heeft zij ten onrechte niet gerekend met eeuwigdurende schade. Voorts stelt [eiser] dat de Gemeente aan hem nog wettelijke rente is verschuldigd over het reeds uitgekeerde schadebedrag, nu de Gemeente de (reeds betaalde) rente heeft berekend over een onjuiste periode.
4.3.
De Gemeente concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover. De Gemeente voert daartoe – samengevat – aan dat zij de door [eiser] geleden schade reeds heeft vergoed. [eiser] heeft daarom niets meer van de Gemeente te vorderen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Schadevergoeding
5.1.
Partijen zijn het erover eens dat de Gemeente de schade die [eiser] heeft geleden door de onrechtmatige besluiten van de Gemeente dient te vergoeden. Zij zijn het daarbij (terecht) erover eens dat deze schade begroot moet worden door de situatie waarin [eiser] met de onrechtmatige besluiten is terechtgekomen (de werkelijke situatie ofwel de “IST-situatie”) te vergelijken met de situatie waarin hij zou hebben verkeerd wanneer de onrechtmatige besluiten niet waren genomen (de fictieve situatie ofwel de “SOLL-situatie”). Partijen zijn het evenwel niet eens over de uitgangspunten die bij de schadeberekening in acht moeten worden genomen. De door partijen ingeschakelde deskundigen IBV en C&C komen tot verschillende schadebedragen omdat zij in hun berekeningen uitgaan van verschillende uitgangspunten.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat het op de weg ligt van [eiser] – die (een hogere) schadevergoeding wenst te ontvangen van de Gemeente – om aan te tonen dat hij meer schade heeft geleden dan het schadebedrag dat hij reeds van de Gemeente heeft ontvangen. Hierin is [eiser] naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank overweegt hiertoe dat het rapport van IBV – waarop [eiser] de hoogte van zijn vordering baseert – niet kan worden gevolgd, nu de rechtbank de grondslagen waarop het rapport van IBV is gebaseerd niet onderschrijft. Ook anderszins heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat hij meer schade heeft geleden dan reeds aan hem is vergoed. Dit brengt met zich dat de rechtbank de vordering van [eiser] zal afwijzen. De rechtbank zal een en ander hierna nader toelichten.
Eeuwigdurende schade?
5.3.
Het schaderapport van IBV is onder meer gebaseerd op het uitgangspunt dat de onderneming van [eiser] is teloorgegaan als gevolg van de onrechtmatige besluiten van de Gemeente om geen vuurwerkverkoopvergunning te verlenen aan [eiser] . [eiser] stelt in dit verband dat het na een periode van vijf jaar (waarin de onderneming haar deuren moest sluiten) voor hem niet mogelijk was om de onderneming voort te zetten. De exploitatie van de onderneming was volgens [eiser] volledig ontmanteld: de inkoopkanalen, infrastructuur, contacten met leveranciers en het personeelsbestand waren verdwenen en de naamsbekendheid van de onderneming was aangetast. Daarbij komt dat klanten in de periode dat [eiser] geen vergunning had zeer waarschijnlijk – gelet op de gestegen vuurwerkverkopen in de betreffende jaren – zijn overgestapt naar een andere vuurwerkverkoper. Hierdoor is [eiser] al zijn klanten kwijtgeraakt.
5.4.
Nu de onderneming verloren is gegaan als gevolg van de onrechtmatige besluiten, heeft [eiser] blijvende schade en dient de door hem geleden schade eeuwigdurend te worden berekend op de wijze zoals IBV heeft gedaan, aldus [eiser] . Hij heeft ter onderbouwing van dit standpunt tijdens de mondelinge behandeling verwezen naar een uitspraak van het hof Den Haag van 29 april 2025. [2] In deze uitspraak bevestigt het hof volgens [eiser] dat een begroting met eeuwigdurende schade juridisch en economisch houdbaar is wanneer de exploitatie van een onderneming duurzaam is vernietigd door een onrechtmatige daad. De Discounted Cash Flow-methode is in zulke gevallen de juiste waarderingsmethode; schade behoeft niet te worden beperkt tot de feitelijke periode van sluiting.
5.5.
De Gemeente betwist dat er een causaal verband bestaat tussen de teloorgang van de onderneming en het ontbreken van een vuurwerkverkoopvergunning in de periode tussen 8 december 2017 en 30 november 2021. Volgens de Gemeente is het de eigen keuze geweest van [eiser] om met [bedrijf] te stoppen en was dit niet een gevolg van het weigeren van de vergunning. In 2020 en 2021 gold er een landelijk verbod op de verkoop van consumentenvuurwerk. Vanaf januari 2022 had [eiser] – die inmiddels weer over een vuurwerkverkoopvergunning beschikte – zijn activiteiten binnen [bedrijf] weer kunnen voortzetten. Ten tijde van het opstellen van de schaderapporten (augustus 2022) bestond de onderneming nog steeds, waren de winkel en de veiligheidsvoorzieningen nog intact en beschikte [eiser] over voldoende financiële middelen om de onderneming voort te zetten. Ook had [eiser] gemakkelijk nieuw personeel kunnen aantrekken, nu hij voornamelijk werkte met tijdelijke krachten en scholieren.
5.6.
De Gemeente betwist voorts dat [eiser] door de sluiting van zijn onderneming al zijn klanten is kwijtgeraakt. De Gemeente wijst erop dat in de jaren 2020 en 2021 in heel Nederland een algemeen vuurwerkverkoopverbod gold. Derhalve waren ook alle andere vuurwerkverkoopwinkels in Nederland reeds twee jaar gesloten geweest toen het vanaf 2022 weer mogelijk was om vuurwerk te verkopen en moesten ook deze winkels opnieuw beginnen. [eiser] had opnieuw reclame kunnen maken en daarmee kenbaar kunnen maken dat [bedrijf] weer vuurwerk verkocht. Het is aannemelijk dat hij hiermee weer (voormalige) klanten had aangetrokken, temeer nu [eiser] zelf heeft aangegeven dat [bedrijf] een bekend begrip was in Den Haag. Nu [eiser] zelf heeft besloten om zijn bedrijfsactiviteiten te staken, is er geen aanleiding om de door hem geleden schade eeuwigdurend te berekenen, aldus de Gemeente.
5.7.
De rechtbank oordeelt dat – anders dan [eiser] heeft gesteld – tegenover de gemotiveerde betwisting van de Gemeente niet is komen vast te staan dat door de onrechtmatige besluiten van de Gemeente de onderneming van [eiser] definitief verloren is gegaan. De verwijzing van [eiser] naar de uitspraak van het hof Den Haag van 29 april 2025 ter onderbouwing van zijn aanspraak op eeuwigdurende schade, gaat dan ook niet op. De rechtbank overweegt als volgt.
5.8.
[eiser] voerde zijn onderneming vanuit een loods die nog steeds zijn eigendom is. In die loods waren een winkel gevestigd en een tweetal bunkers waarin het vuurwerk werd opgeslagen. Toen de vergunningen werden geweigerd, heeft [eiser] een restpartij vuurwerk verkocht en verder de winkel en de bunkers leeg laten staan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat zijn personeel voornamelijk bestond uit scholieren (runners) en andere tijdelijke krachten. [bedrijf] was – zo stelt [eiser] - een gevestigde naam in Den Haag en had naar eigen zeggen zelfs een filmpje op YouTube genaamd “Feest met de Vosjes”. Toen uit de uitspraken van de Raad van State in 2020 bleek dat de vergunningen ten onrechte waren geweigerd en vervolgens een nieuwe vergunning werd verleend, heeft [eiser] de balans opgemaakt. Hij is nagegaan welke investeringen hij zou moeten doen om aan de op dat moment geldende veiligheidseisen te voldoen (zoals het nalopen van de sprinklerinstallatie en eventuele vervanging daarvan) en heeft gekeken naar de politieke ontwikkelingen rondom consumentenvuurwerk. Vervolgens heeft hij er zelf voor
gekozenniet verder te gaan met de verkoop van vuurwerk (omdat dit zijns inziens financieel geen zin had) en dus om zijn onderneming te beëindigen.
5.9.
De omvang van de benodigde investering (eerst ter zitting gesteld op € 100.000) heeft de Gemeente betwist en heeft [eiser] niet onderbouwd. Dit bedrag staat dus niet vast. Bovendien heeft de Gemeente onbetwist gesteld dat [eiser] de door hem gestelde investeringen ook zou hebben gedaan indien in 2017 wel een vuurwerkverkoopvergunning aan hem was verleend. [eiser] heeft ervoor gekozen niet verder te gaan met zijn onderneming, ook al was sinds de laatste jaren volgens [eiser] zelf sprake van een toegenomen verkoop van consumentenvuurwerk, was de locatie van zijn vuurwerkhandel (de loods met winkel en opslagbunkers) nog steeds beschikbaar, was naar de rechtbank begrijpt sprake van een kleiner aantal verkooppunten en kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat [eiser] , als ervaren handelaar in vuurwerk en met zijn eerder bestaande grote naamsbekendheid, binnen bekwame tijd in staat zou zijn geweest opnieuw leveranciers, tijdelijk personeel en klanten te werven. Reeds hierom is voor berekening van eeuwigdurende schade (blijvende schade) in dit geval geen aanleiding.
5.10.
Bovendien is het naar het oordeel van de rechtbank niet realistisch om er zonder meer vanuit te gaan dat bedrijven (zeker eenmanszaken, zoals die van [eiser] ) een onbeperkte levensduur hebben. Dit geldt eens temeer voor ondernemingen binnen de vuurwerkbranche, nu het invoeren van een landelijk vuurwerkverbod al jaren onderwerp is (geweest) van publieke discussie. In 2026 zal een verbod op vuurwerkverkoop aan consumenten daadwerkelijk worden ingevoerd. Niet aannemelijk is daarom dat de onderneming van [eiser] nog lange tijd zou hebben voortbestaan als de onrechtmatige besluiten niet waren genomen. De rechtbank wijst erop dat [eiser] bij zijn beslissing met zijn onderneming te stoppen zelf ook de politieke ontwikkelingen rondom de verkoop van consumentenvuurwerk heeft meegewogen.
De coronapandemie moet worden meegenomen in de schadebegroting
5.11.
Tussen partijen is verder in geschil of bij het bepalen van de (vermogenspositie van [eiser] in de) SOLL-situatie rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de coronapandemie en de daaraan gerelateerde vuurwerkverboden in 2020 en 2021.
5.12.
Het door [eiser] aangehaalde rapport van IBV gaat bij de schadebegroting uit van een pure ex ante benadering, waarbij feiten en omstandigheden die pas na de peildatum (31 december 2016 volgens [eiser] ) bekend zijn geworden (ex post omstandigheden) geen rol spelen in de calculatie van schade. De SOLL-situatie moet volgens [eiser] worden bepaald op basis van de redelijke verwachtingen die golden op de peildatum. Dit betekent dat de gevolgen van de coronapandemie – die op de peildatum niet voorzienbaar waren – niet worden meegenomen in de schadeberekening. De Hoge Raad heeft in het Vierde peildatumarrest [3] weliswaar ruimte gelaten voor het meewegen van ex post omstandigheden in de schadebegroting, maar dit geldt volgens [eiser] enkel voor het bepalen van de IST-situatie en kapitalisatiebeslissingen en niet voor de SOLL-situatie. [eiser] verwijst in dit verband ook naar het door hem eerder aangehaalde arrest van het hof Den Haag van 29 april 2025, waarin het hof overweegt dat ten aanzien van de SOLL-situatie geen rekening moet worden gehouden met de coronapandemie [4] .
5.13.
De Gemeente stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van de coronapandemie (zoals haar deskundige heeft gedaan) wel moeten worden meegenomen in de schadeberekening. Zij voert hiertoe aan dat het uitgangspunt is dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade wordt begroot. Hierbij moet ook worden gekeken naar toekomstige omstandigheden die op de peildatum (8 december 2017 volgens de Gemeente) nog niet bekend waren. De coronapandemie is zo’n omstandigheid. De gevolgen van de pandemie waren ten tijde van de schadevaststelling al bekend. Er moet daarom – gelet op het landelijke vuurwerkverkoopverbod - vanuit worden gegaan dat de schade over de jaren 2020 en 2021 nihil is.
5.14.
Voorgaande is volgens de Gemeente in lijn met het door [eiser] aangehaalde Vierde peildatumarrest. In dit arrest heeft de Hoge Raad immers uitdrukkelijk ruimte gelaten voor de mogelijkheid om feiten en omstandigheden die zich na de peildatum hebben voorgedaan mee te nemen bij de schadebegroting. De Gemeente betwist de stelling van [eiser] dat deze overweging van de Hoge Raad enkel ziet op de IST-positie en kapitalisatiebeslissingen. De mogelijkheid om toekomstige omstandigheden mee te nemen ziet op de gehele schadebegroting, aldus de Gemeente.
5.15.
De rechtbank stelt voorop dat de rechter op grond van artikel 6:97 BW Pro de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. De rechter moet daarbij de door de onrechtmatige gedraging
daadwerkelijk geledenschade begroten, waarbij als hoofdregel geldt begroting van de schade per datum vonnis. Dat betekent dat de rechter in beginsel ook rekening moet houden met feiten en omstandigheden die zich na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, hebben voorgedaan [5] .
Bij de begroting van de geleden schade komt de rechter de nodige vrijheid toe. Zo heeft hij volgens vaste rechtspraak ook de vrijheid om de geleden en te lijden schade te kapitaliseren in een bedrag ineens naar een peildatum die geruime tijd voor zijn uitspraak ligt. Als voor een dergelijke wijze van begroting wordt gekozen (kapitalisatie per peildatum), blijft het wettelijk uitgangspunt dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade wordt begroot. Bij dit uitgangspunt past het niet dat de rechter slechts rekening mag houden met de op de peildatum bestaande verwachtingen over wat de toekomst zou kunnen brengen. Het staat hem derhalve (ook in dit geval) vrij rekening te houden met feiten en omstandigheden die zich nadien daadwerkelijk hebben voorgedaan [6] .
5.16.
De rechtbank volgt [eiser] hierom niet in zijn stelling dat uit het Vierde peildatumarrest volgt dat ex post omstandigheden bij de schadebegroting enkel mogen worden meegenomen bij bepaling van de IST-positie en dat de SOLL-positie uitsluitend moet worden gebaseerd op verwachtingen die golden op de peildatum, die naar het oordeel van de rechtbank op 8 december 2017 moet worden bepaald (de datum van het besluit tot afwijzing van de vergunning tot vuurwerkverkoop). Het beroep van [eiser] op de uitspraak van het hof Den Haag van 29 april 2025 kan hem evenmin baten. Anders dan in het geval dat tot de uitspraak van het hof Den Haag leidde, heeft in deze zaak tussen partijen van de aanvang af geen overeenstemming bestaan over de wijze waarop de schadeberekening moest plaatsvinden. De Gemeente heeft zich steeds verzet tegen een strikte ex ante benadering en daarbij benadrukt dat rekening moest worden gehouden met de coronapandemie omdat toen landelijk vuurwerkverboden hebben gegolden, te meer daar op het moment dat partijen over de door de onrechtmatige besluiten geleden schade discussieerden (2022) de gevolgen van de coronaperiode voor de vuurwerkbranche al bekend waren.
5.17.
Door de landelijke vuurwerkverboden mocht in 2020 en 2021 geen consumentenvuurwerk worden verkocht. Dit verbod trof alle vuurwerkverkopers in Nederland. Ondanks overheidssteunmaatregelen draaiden zij over die jaren per saldo verlies. Dit staat tussen partijen vast. Ook [eiser] zou dit dus zijn overkomen (hij zou verlies hebben geleden) als hij in 2020 en 2021 wèl over de benodigde vergunningen zou hebben beschikt. Hierom is het naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan reëel om deze nadere ontwikkelingen (de negatieve gevolgen van de coronaperiode) in een door de Gemeente aan [eiser] te betalen schadevergoeding te verdisconteren, zeker nu het gaat om een vergoeding die uit publieke middelen moet worden voldaan. Hieraan doet niet af dat de coronaperiode op het moment dat de onrechtmatige besluiten werden genomen nog niet was te voorzien. De rechter moet immers, met inachtneming van het debat van partijen, de ten gevolge van de onrechtmatige gedraging
daadwerkelijk geledenschade begroten en daarbij geen oogkleppen opzetten. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat [eiser] over de coronaperiode schade heeft geleden.
Conclusie
5.18.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de schadeberekening van IBV (te weten eeuwigdurende schade, een strikte ex antebenadering waarbij de gevolgen van de coronapandemie buiten beschouwing worden gelaten en de voorgestelde peildatum) juridisch niet houdbaar zijn. Reeds daarom kan het rapport van IBV [eiser] niet baten.
5.19.
Daarbij komt dat de Gemeente er terecht op heeft gewezen dat [eiser] van de Gemeente in totaal meer dan € 500.000,- aan schadevergoeding vordert, terwijl hij voorafgaand aan de ten onrechte geweigerde vergunning jaarlijks een maximale ondernemingswinst behaalde van nog geen € 30.000,-, hij door de onrechtmatige besluiten van de Gemeente weliswaar vijf jaar geen vergunning heeft gehad maar ‘slechts’ drie jaar winst heeft misgelopen en hij er vervolgens zelf, mede gelet op de voor vuurwerkverkopers ongunstige vooruitzichten, voor heeft gekozen zijn onderneming niet voort te zetten.
5.20.
Tegen voornoemde achtergrond heeft [eiser] niet aangetoond dat hij meer schade heeft geleden dan de Gemeente reeds aan hem heeft vergoed. Al hetgeen partijen verder in dit verband hebben aangevoerd (inclusief de discussie over de te hanteren disconteringsvoet) kan onbesproken blijven.
5.21.
Het is aan het oordeel van de rechtbank overgelaten om al dan niet een deskundigenbericht te gelasten [7] . De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om dit te doen. De vordering van [eiser] moet in zoverre dus worden afgewezen.
Gevorderde wettelijke rente over het reeds uitgekeerde schadebedrag
5.22.
[eiser] vordert een bedrag van € 22.174,09 aan nog te betalen wettelijke rente over het door de Gemeente al aan hem uitgekeerde schadebedrag van € 135.317,-. De Gemeente heeft de wettelijke rente over dit bedrag volgens [eiser] ten onrechte berekend over de periode vanaf 8 december 2017 tot en met 8 juni 2023. De door De Gemeente te vergoeden wettelijke rente bedraagt volgens [eiser] over het bedrag van € 135.317 en gerekend vanaf 1 januari 2017 (peildatum schade) tot 24 april 2025 (betaling schadebedrag door gemeente) € 39.057,72. De Gemeente heeft reeds een bedrag van 16.883,63 voldaan. Derhalve resteert een bedrag van € 22.174,09 aan wettelijke rente.
5.23.
De Gemeente stelt dat de wettelijke rente over het reeds betaalde schadebedrag van
€ 135.317,- moet worden berekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit (8 december 2017) tot 8 juni 2023. De verschuldigde wettelijke rente heeft de Gemeente reeds voldaan. De Gemeente stelt voorts dat zij over de periode na 8 juni 2023 geen wettelijke rente is verschuldigd, nu [eiser] op deze datum in schuldeisersverzuim is komen te verkeren. Immers heeft [eiser] – na hiertoe tweemaal te zijn gesommeerd – op deze datum geweigerd een bankrekeningnummer aan de Gemeente te verstrekken, waardoor de Gemeente niet aan haar schadevergoedingsverplichting kon voldoen.
5.24.
Met de Gemeente is de rechtbank van oordeel dat de Gemeente wettelijke rente (over het reeds betaalde schadebedrag) verschuldigd is vanaf de datum van het onrechtmatige besluit, te weten 8 december 2017. De rechtbank oordeelt voorts dat het op de weg van [eiser] had gelegen om zijn bankrekeningnummer aan de Gemeente te verstrekken teneinde haar in staat te stellen om de verschuldigd geworden schadevergoeding aan [eiser] te betalen. Door dit (meermaals) te weigeren heeft [eiser] de Gemeente de mogelijkheid ontnomen om aan haar schadevergoedingsverplichting te voldoen en is hij in verzuim geraakt. De Gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling (onbetwist) gesteld dat zij met het opvragen van het rekeningnummer [eiser] er niet toe wilde bewegen akkoord te gaan met een finale regeling en dat zij ook aan [eiser] heeft aangegeven dat het hem vrijstond te procederen indien hij het niet eens was met de hoogte van de uitgekeerde vergoeding. Nu de Gemeente door toedoen van [eiser] niet kon betalen, kan hij geen aanspraak maken op wettelijke rente over de periode na 8 juni 2023. Aangezien de Gemeente de verschuldigde wettelijke rente reeds heeft voldaan (verdisconteerd in de betaling van € 150.000,-), zal de rechtbank ook deze vordering van [eiser] afwijzen.
Proceskosten
5.25.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
14.043,00
5.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 14.043,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
3474

Voetnoten

2.Gerechtshof Den Haag 29 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:760, r.o. 6.25-6.26.
3.HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1291.
4.Gerechtshof Den Haag 29 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:760, r.o. 6.24.
5.Zie Losbl. Schadevergoeding, art. 6:97 BW Pro, aant. 3.4 (bew. S.D. Lindenbergh) onder verwijzing naar rechtspraak en literatuur.
6.HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1291, r.o. 3.2.
7.Bijv. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1902, r.o. 3.4.