Uitspraak
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening.
Hieraan heeft alleen de gemachtigde van eiser deelgenomen. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [7] , onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 [8] , geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen, ook niet in de enkele verwijzing naar het artikel van Carolus Grütters.
Mocht verweerder een terugkeerbesluit opleggen?
Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter [9] en het arrest Kaduna en Abkez [10] volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt echter vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 21 maart 2024 en verweerder daarom bevoegd en verplicht was om een terugkeerbesluit op te leggen.