Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8894

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.10879
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Polen had eerder een werkvisum aan eiseres verleend en heeft ingestemd met de overname van de asielaanvraag.

Eiseres stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast vanwege de zorgwekkende positie van LHBTIQ+-personen in Polen, onderbouwd met een rapport en eerdere jurisprudentie. Zij vreesde discriminatie en schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel wel van toepassing is, omdat eiseres onvoldoende concrete en structurele aanwijzingen heeft geleverd dat Polen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De situatie in Polen, hoewel zorgelijk, leidt niet tot een reëel risico op een schending van fundamentele rechten.

Daarom blijft het besluit van de minister in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M.B.L. van der Weele op 13 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10879

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. S. Selbach),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 25 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
1.2.
De rechtbank heeft, nadat het onderzoek ter zitting is gesloten, nog nadere stukken van de minister ontvangen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding tot heropening van het onderzoek en heeft deze nadere stukken daarom niet bij de beoordeling van het geding betrokken.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] Gebleken is dat Polen een (werk)visum aan eiseres heeft verleend met een geldigheidsduur van 21 november 2022 tot 28 oktober 2025. Nederland heeft daarom op 21 november 2025 de Poolse autoriteiten verzocht om eiseres over te nemen. Op 21 november 2025 zijn de Poolse autoriteiten hiermee akkoord gegaan.
De beroepsgronden van eiseres
5. Eiseres voert aan dat de aspecten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de asielprocedure voor LHBTIQ+-personen in Polen onvoldoende worden gewaarborgd. Eiseres verwijst hiervoor naar het rapport ‘Crossing Double Borders. LGBTQI+ displacement to Poland: persecution, discrimination and challenges in accessing humanitarian assistance’ uit 2025 van Migration Consortium, met steun van Plan International Poland (hierna: het rapport) en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 12 december 2025. [2] Eiseres loopt bij terugkeer naar Polen dan ook een reëel risico op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij vreest vanwege haar geaardheid gediscrimineerd te worden in Polen. Toen bekend werd dat eiseres lesbisch was, is haar (werk)visum niet meer verlengd door haar werkgever en heeft zij noodgedwongen op straat moeten leven. Eiseres heeft geen asiel aangevraagd in Polen en wil dit ook niet. Zij stelt in Polen geen kans te hebben op werk, een woning of om zich te herenigen met haar partner.
Kan ten aanzien van Polen worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat wil zeggen dat de minister er in dit geval van mag uitgaan dat Polen zijn verdragsverplichtingen nakomt. De Afdeling [3] heeft in de uitspraak van 14 augustus 2025 [4] geoordeeld dat de minister ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling heeft dit meer recent nog bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2026. [5] Dit vermoeden is echter weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Polen, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Poolse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval eiseres aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit het rapport volgt dat de positie van LHBTIQ+-personen in Polen zorgelijk is. Dit heeft de minister ter zitting ook erkend. Uit deze informatie blijkt echter niet dat de Poolse autoriteiten structureel tekortschieten in de opvang of rechtsbescherming van asielzoekers. Er zijn geen aanwijzingen dat asielzoekers geen rechtsmiddelen zouden kunnen instellen of dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zodanig onder druk staat dat dit gevolgen heeft voor hun rechtspositie. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ook is niet gebleken dat LHBTIQ+-personen slachtoffer worden van stelselmatige discriminatie of geweld van overheidswege waartegen de Poolse autoriteiten geen bescherming zouden kunnen bieden of dat LHBTIQ+-personen niet of moeilijk op sociaal of maatschappelijk terrein kunnen functioneren. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar geaardheid geen toegang zal krijgen tot de asielprocedure. Eiseres heeft nooit eerder asiel aangevraagd. De situatie dat haar werkvisum niet verlengd is omdat haar werkgever er achter zou zijn genomen dat zij lesbisch is, heeft zij niet onderbouwd. Zij heeft dit van haar collega’s gehoord. Ook heeft eiseres nooit eerder problemen ondervonden met de Poolse autoriteiten. Verder is niet gebleken dat de autoriteiten onverschillig staan tegenover de rechten van LHBTIQ+-personen en ook is niet gebleken dat deze personen geen bescherming krijgen van de autoriteiten of dat zij zich, indien nodig, niet kunnen wenden tot de (hogere) Poolse autoriteiten. Dat klagen bij voorbaat zinloos is, is ook niet gebleken. Eiseres heeft dit ook niet aangetoond.
6.2.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Met het overleggen van het rapport heeft zij onvoldoende onderbouwd dat ook voor haar als LHBTIQ+-persoon niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Poolse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd het asielverzoek van eiseres in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese regelgeving. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat eiseres een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in dit geval de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 12 december 2025 te volgen en het besluit in strijd te oordelen met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummer NL25.44452 (niet gepubliceerd).
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.