ECLI:NL:RBDHA:2026:892

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL24.48275
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van verblijfsvergunning en inreisverbod van een Turkse eiser met tbs-maatregel

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 21 januari 2026, wordt de intrekking van de reguliere verblijfsvergunning van een Turkse eiser behandeld. De eiser, die in Nederland is geboren, heeft een zwaar inreisverbod van 10 jaar opgelegd gekregen en moet terugkeren naar Turkije. De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand kunnen blijven. De minister van Asiel en Migratie heeft de verblijfsvergunning ingetrokken op basis van de ernst van de misdrijven die de eiser heeft gepleegd, waaronder poging tot doodslag en andere geweldsdelicten. De rechtbank heeft het beroep van de eiser gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat repatriëring naar Turkije mogelijk is, ondanks de tbs-maatregel. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van een uitzichtloze situatie voor de eiser, omdat hij in Turkije toegang heeft tot medische zorg en ondersteuning. De rechtbank heeft ook de belangenafweging van de minister in het kader van artikel 8 van het EVRM beoordeeld en geconcludeerd dat de belangen van de Nederlandse samenleving zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen van de eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48275

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

V-nummer: [nummer], eiser
van Turkse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] de minister
(gemachtigde: mr. K. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers reguliere verblijfsvergunning. Eiser moet terugkeren naar Turkije en heeft een zwaar inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd gekregen. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit en het zware inreisverbod in stand kunnen blijven.

Procesverloop

2. In het besluit van 29 september 2021 (primaire besluit) heeft de minister de verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht, met ingang van 12 april 2016, ingetrokken. Voor zover eiser al verblijfsrecht ontleent aan Besluit 1/80, [2] wordt dit verblijfsrecht beëindigd. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Ook wordt aan eiser een zwaar inreisverbod opgelegd.
2.1
In het besluit van 16 februari 2022 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Hij heeft op 6 april 2022 de gronden van beroep ingediend. Op 20 mei 2022 heeft hij aanvullende gronden van beroep ingediend.
2.3.
Op 9 september 2022 heeft de minister het besluit van 16 februari 2022 ingetrokken. Op 12 september 2022 heeft eiser zijn beroepschrift ingetrokken.
2.4.
In het besluit van 19 november 2024 (bestreden besluit) heeft de minister opnieuw beslist en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.5.
Eiser heeft op 4 december 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 19 december 2024 de gronden van beroep ingediend en op 23 april 2025 aanvullende gronden ingediend.
2.6.
De minister heeft een verweerschrift ingediend op 22 januari 2025.
2.7.
Op 28 april 2025 heeft de minister de rechtbank verzocht om toepassing van de bestuurlijke lus, als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb. [3] Op 27 juni 2025 heeft de minister een aanvullend besluit genomen.
2.8.
Eiser heeft op 23 juli 2025 gereageerd op dit aanvullend besluit.
2.9.
De minister heeft op 6 oktober 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend. Op 28 oktober 2025 heeft de minister twee aanvullende stukken ingediend waarnaar in het aanvullend besluit van 27 juni 2025 wordt verwezen.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eisers moeder en zus waren ook op de zitting aanwezig. Ook was er een tolk aanwezig die de moeder van eiser heeft bijgestaan.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister eisers reguliere verblijfsvergunning heeft mogen intrekken en of aan eiser een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod mochten worden opgelegd. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser is op 21 februari 1997 in Nederland geboren en is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘gezinshereniging bij ouders’, geldig van 21 februari 1997 tot 21 februari 2002. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is aansluitend verlengd tot 2 januari 2008.
4.1.
Op 5 februari 2009 is eiser opnieuw in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘gezinshereniging bij ouders'. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 10 november 2008, met een geldigheidsduur tot 4 januari 2012.
4.2.
Vervolgens is bij Koninklijk Besluit van 8 maart 2010 aan eiser het Nederlanderschap verleend. Bij beschikking van 7 september 2012 is het Nederlanderschap weer ingetrokken.
4.3.
Bij beschikking van 18 november 2013 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, geldig van 11 oktober 2013 tot 11 oktober 2018.
4.4.
Op 14 mei 2019 is eiser opnieuw in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 20 november 2018, met een geldigheidsduur tot 20 november 2023.
4.5.
Op 12 maart 2020 is eiser door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar met tbs [4] voor poging tot doodslag, een ramkraak, mishandeling, bedreiging en meervoudig wapenbezit.
Het bestreden besluit en het aanvullend besluit
5. De minister heeft eisers reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, met terugwerkende kracht, ingetrokken met ingang van 12 april 2016. Hij stelt dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving. De minister heeft eiser verder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd. [5] De minister stelt in zijn aanvullend besluit dat eiser zich op dit moment in strafdetentie bevindt en dat de verwachting is dat de tbs-behandeling in 2027 zal aanvangen. Nu de tbs-behandeling nog niet is gestart, is op dit moment redelijkerwijs nog niet voorzienbaar voor welke medische aandoening eiser in de tbs-setting zal worden behandeld. Het is dus niet te voorzien of de toekomstige behandeling van eiser door het intrekken van de verblijfsvergunning zal stagneren, waardoor eisers situatie uitzichtloos zou kunnen worden. De minister heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Was de minister bevoegd om de verblijfsvergunning in te trekken?
6. Eiser voert aan dat de minister niet bevoegd was om zijn verblijfsvergunning in te trekken. Daarnaast voert eiser aan dat er niet is getoetst aan het Unierechtelijke openbare orde criterium en dat er dus sprake is van een motiveringsgebrek. Eiser voert verder aan dat hij onder de standstill-bepaling van artikel 13 van het Besluit 1/80 valt en dat de minister de verblijfsvergunning daarom niet had mogen intrekken.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser op de zitting heeft bevestigd dat de minister wel aan het Unierechtelijk openbare orde criterium heeft getoetst. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser op de zitting heeft aangegeven dat Besluit 1/80 niet aan de intrekking van de vergunning in de weg staat. Deze punten maken daarom geen deel meer uit van het geschil en behoeven daarom geen verdere bespreking.
6.2.
Eiser heeft verder niet betwist dat de minister op grond van artikel 18, eerste lid, onder e van de Vw [6] , gelezen in samenhang met artikel 19 van de Vw, de aan eiser verleende vergunning kon intrekken. Eiser heeft evenmin betwist dat de minister de glijdende schaal, zoals neergelegd in artikel 3.86 van het Vb, [7] juist heeft toegepast. De minister was in beginsel dan ook bevoegd om op grond van artikel 3.86 Vb de verblijfsvergunning in te trekken.
Heeft de minister in het kader van de evenredigheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik mogen maken?
7. Eiser voert aan dat het intrekkingsbesluit de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel belemmert. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat de tbs-maatregel in Nederland kan eindigen als de behandeling is afgerond. Hiervoor dienen bepaalde stappen te worden doorlopen, zoals begeleid verlof, onbegeleid verlof en transmuraal verlof. Omdat eiser door de intrekking van de verblijfsvergunning niet langer rechtmatig verblijf zal hebben, zijn er minder mogelijkheden voor verlof en zal de behandeling tot stilstand komen. Het bestreden besluit heeft er bovendien voor gezorgd dat de tbs-maatregel nog geen aanvang heeft genomen. Eiser voert hiertoe aan dat als de verblijfsvergunning niet zou zijn ingetrokken en het inreisverbod niet zou zijn opgelegd, hij al in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling en aanvang van de tbs-maatregel.
7.1.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of op dit moment al voorzienbaar is dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod van zodanige invloed op de (eindfase van de) tbs-behandeling van eiser zullen zijn, dat die intrekking en de oplegging nu al niet meer aangewezen zijn, omdat redelijkerwijs voorzienbaar is dat daardoor de situatie voor eiser uitzichtloos zal worden.
7.2.
Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet de rechtbank allereerst beoordelen of er op dit moment aanleiding bestaat om aan te nemen dat eiser zijn tbs-behandeling niet in Nederland zal kunnen afmaken, als gevolg van de intrekking van zijn verblijfsrecht. De rechtbank moet daarna beoordelen of er andere mogelijkheden zijn om de tbs-behandeling af te ronden zonder in een uitzichtloze situatie terecht te komen. In dit kader zal de rechtbank beoordelen of het voorzienbaar is dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning repatriëring naar Turkije onmogelijk maakt.
Tbs in Nederland
8. De rechtbank is van oordeel dat het redelijkerwijs voorzienbaar is dat de tbs-maatregel niet in Nederland zal kunnen worden afgerond. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2023 [8] blijkt dat het essentieel is voor het slagen en afronden van de tbs-behandeling dat de terbeschikkinggestelde vreemdeling met verlof kan. Het doel van de tbs-maatregel is namelijk terugkeer in de maatschappij. Zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling, is het daarmee in beginsel een gegeven, dat er in elke tbs-maatregel die tot een goed einde wordt gebracht sprake is van het doorlopen van de verschillende stadia van verlof, inclusief onbegeleid verlof. Zonder deze stadia te doorlopen kan de tbs-maatregel niet succesvol worden afgerond. In de uitspraak van 4 september 2024 [9] heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het feit dat er geen onbegeleid verlof plaatsvindt, ervoor zorgt dat de tbs-behandeling op een gegeven moment zal vastlopen. Uit de Verlofregeling TBS [10] volgt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, is uitgesloten van onbegeleid en transmuraal resocialisatieverlof. Dit betekent dat het behandeltraject in Nederland tot stilstand komt als de minister het rechtmatig verblijf van een vreemdeling beëindigt.
8.1.
De rechtbank volgt de minister dan ook niet in het standpunt, zoals ingenomen in het aanvullend besluit, [11] dat op dit moment nog niet voorzienbaar is dat de tbs-behandeling van eiser in Nederland niet zal kunnen slagen. De minister heeft ten onrechte overwogen dat op dit moment niet voorzienbaar is dat voor een succesvolle afronding van de tbs-maatregel alle verlofstadia noodzakelijk zullen zijn. Dat nog niet bekend is voor welke medische aandoening eiser precies zal worden behandeld doet daaraan niet af. De stelling van de minister, dat de minister van Justitie en Veiligheid in tenminste twee gevallen wel toestemming heeft verleend aan vreemdelingen zonder verblijfsvergunning om met onbegeleid verlof te gaan, ondanks dat de regelgeving dit niet toestaat, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals op de zitting door de minister ook is aangegeven is deze mogelijkheid niet in de regelgeving neergelegd, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Ook is niet onderbouwd wanneer en onder welke omstandigheden de minister van Justitie en Veiligheid dergelijk onbegeleid verlof heeft toegekend, ondanks het feit dat de regeling niet in deze mogelijkheid voorziet. De rechtbank acht deze stelling dan ook onvoldoende om te kunnen concluderen dat niet voorzienbaar is dat eisers tbs-behandeling in Nederland zal vastlopen, aangezien niet alle verlofstadia doorlopen kunnen worden.
8.2.
De rechtbank concludeert dat op dit moment al voorzienbaar is dat eiser door de intrekking van zijn verblijfsvergunning zijn tbs-behandeling niet succesvol in Nederland zal kunnen afronden.
8.3.
Gelet op het bovenstaande slaagt de beroepsgrond. De minister heeft namelijk ten onrechte gesteld dat het op dit moment niet voorzienbaar is dat eisers tbs-behandeling niet in Nederland zal kunnen worden afgerond. De minister heeft dit voorzienbare gevolg ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming. Het besluit kent daarom een zorgvuldigheidsgebrek. Daarbij komt dat de minister eerst in het aanvullend besluit is ingegaan op de mogelijkheid van repatriëring, zodat eveneens sprake is van een motiveringsgebrek in het oorspronkelijke besluit. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit.
8.4.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. In dit kader zal de rechtbank kijken naar de mogelijkheden van repatriëring.
Is repatriëring mogelijk?
9. Nu de rechtbank van oordeel is dat de tbs-behandeling voorzienbaar niet succesvol in Nederland zal kunnen worden afgerond, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of het voorzienbaar is dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning maakt dat repatriëring naar Turkije daardoor onmogelijk zal worden. Immers, nu is vastgesteld dat de tbs-maatregel van eiser in Nederland voorzienbaar zal vastlopen, is de mogelijkheid van repatriëring de enige door de minister aangevoerde overige manier om te voorkomen dat eiser mogelijk in uitzichtloze situatie terecht zal komen doordat zijn tbs-maatregel niet kan worden afgerond.
9.1.
De minister heeft op 27 juni 2025 een aanvullend besluit genomen waarin hij, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2023, een nadere motivering heeft gegeven voor wat betreft de repatriëringsmogelijkheden.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat er in het kader van repatriëring twee mogelijkheden zijn: de straf en de tbs-maatregel worden overgedragen aan het land van herkomst of er is sprake van overplaatsing naar het land van herkomst met beëindiging van de tbs-maatregel.
9.3.
Voor wat betreft de eerste optie heeft de minister aangegeven dat het niet mogelijk is om de straf en de tbs-maatregel over te dragen aan Turkije. Dit is in het verleden ook nog nooit gebeurd. De rechtbank concludeert dan ook dat overdracht van de straf en tbs-maatregel aan Turkije niet mogelijk is en dat voor wat betreft de mogelijkheden van repatriëring naar Turkije daarom gekeken dient te worden naar de tweede mogelijkheid: repatriëring met beëindiging van de tbs-maatregel. De rechtbank zal beoordelen of deze overgebleven optie voldoende mogelijkheden biedt om een redelijkerwijs voorzienbare uitzichtloze situatie voor eiser te voorkomen.
9.4.
De mogelijkheid van repatriëring met beëindiging van de tbs-maatregel is neergelegd in artikel 6:2:18 Sv, [12] zoals de minister op zitting ook heeft bevestigd. Op grond van dit artikel kan de minister van Justitie en Veiligheid een tbs-maatregel beëindigen ten aanzien van een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, in de zin van artikel 8 Vw. De minister dient in dat geval een passende voorziening voor de vreemdeling te regelen in het land van herkomst, gericht op (in ieder geval) vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar. Verder moet het gaan om een vreemdeling die daadwerkelijk uit Nederland is uitgezet.
9.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat repatriëring met beëindiging van de tbs-maatregel in het geval van eiser tot de mogelijkheden behoort. Uit de door de minister overgelegde medische informatie blijkt in zijn algemeenheid dat medische voorzieningen met betrekking tot psychische problematiek in Turkije beschikbaar en toegankelijk zijn. [13] Omdat nog niet duidelijk is waarvoor eiser zal worden behandeld, kan evenwel over de toegankelijkheid van een specifieke voorziening nog geen verdere uitspraak worden gedaan. De minister heeft op de zitting toegelicht dat er tegen het einde van de tbs-behandeling gericht gekeken dient te worden welke passende maatregelen er voorhanden zijn in Turkije en dat hierna met de overdracht begonnen kan worden. De rechtbank stelt vast dat de minister ter onderbouwing van de stelling dat repatriëring op deze wijze mogelijk is in het aanvullende besluit heeft verwezen naar het feit dat er in het verleden ook al vreemdelingen in vergelijkbare situaties op deze wijze naar Turkije zijn teruggekeerd. Zo zijn er in 2020 drie vreemdelingen overgedragen, in 2022 twee vreemdelingen en in 2023 één vreemdeling. De rechtbank neemt aan dat, zoals de minister ook op zitting heeft toegelicht, het aantal vreemdelingen dat op deze wijze moet repatriëren naar Turkije beperkt is. Daarbij heeft de minister toegelicht dat eerst wanneer de tbs-maatregel in een ver gevorderd stadium is kan worden begonnen met het werken aan de repatriëring. Daaruit volgt dat het feit dat het hier niet om grote aantallen gaat niet afdoet aan het bestaan van de mogelijkheid van repatriëring op deze wijze.
9.6.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende is gemotiveerd dat het voor eiser tot de mogelijkheden behoort om in de toekomst naar Turkije te worden gerepatrieerd, terwijl de tbs-maatregel wordt beëindigd. Dit betekent dat het op dit moment dan ook niet redelijkerwijs voorzienbaar is dat eiser in een uitzichtloze situatie terecht zal komen. Eisers niet onderbouwde stelling dat hij een culturele afstand heeft tot Turkije, omdat hij in Nederland is geboren en getogen en hij de taal niet vloeiend beheerst, is onvoldoende om te concluderen dat de repatriëring op voorhand niet mogelijk is.
Oordeel
10. De rechtbank oordeelt dat, gelet op voorgaande, door de minister gesteld kon worden dat op dit moment niet voorzienbaar is dat eiser in een uitzichtloze situatie terecht komt. Immers, ondanks het feit dat een succesvolle afronding van de tbs-behandeling binnen de huidige regelgeving na intrekking van de verblijfsvergunning niet mogelijk is, heeft de minister alsnog voldoende gemotiveerd dat de mogelijkheid van repatriëring blijft bestaan, zodat van een uitzichtloze situatie geen sprake is. De rechtbank is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven.
Non-refoulement, 3 EVRM [14] en het waarschuwingsvereiste
11. Eiser voert aan dat de minister het terugkeerbesluit ten onrechte niet heeft getoetst aan het verbod van non-refoulement, het besluit in strijd is met de Terugkeerrichtlijn en het arrest Ararat. [15] Eiser stelt daarnaast, onder verwijzing naar twee arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat het waarschuwingsvereiste is geschonden. [16] Ook al zou eiser een serieuze bedreiging voor de openbare orde vormen, dan nog had hij eerst een waarschuwing moeten krijgen. [17]
11.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit is ingegaan op een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat eiser zijn vreest voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM onvoldoende heeft onderbouwd en dat bovendien niet is gebleken dat eiser niet de nodige zorg kan verkrijgen voor zijn psychische gesteldheid. Het beroep op het arrest Ararat slaagt niet.
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangehaalde arresten niet van toepassing zijn op zijn zaak. In de zaak van eiser is, in tegenstelling tot de zaak in de arresten Noorzae t. Denemarken (https://hudoc.echr.coe.int/), het misdrijf van grote ernst en is hij nog niet toe aan reclasseringspogingen. Het waarschuwingsvereiste dat wordt genoemd in het arrest Nguyen t. Denemarken (https://www.vreemdelingenrecht.be/rechtspraak/europees-hof-voor-de-rechten-van-de-mens-2116-21-9) is niet een hard criterium, maar dient in samenhang bekeken te worden met de overige belangen. De rechtbank overweegt dat de minister alle belangen in samenhang heeft beoordeeld en verwijst hiervoor naar hetgeen onder 13.2 en 13.3 is overwogen. De rechtbank overweegt verder dat eiser ook al eerder, zij het wat langer geleden, in aanraking is gekomen met politie en justitie, dat hij ook door hen is gewaarschuwd om geen strafbare feiten meer te begaan en dat eiser daarmee ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om het plegen van strafbare feiten te voorkomen. De minister heeft, hoewel eiser geen waarschuwing van de minister heeft ontvangen, gezien de meest recente jurisprudentie dan ook kunnen overgaan tot intrekking van de verblijfsvergunning. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Inreisverbod voor de duur van tien jaar
12. Eiser meent dat hij evenwel geen actueel gevaar voor de openbare orde vormt, omdat hij nog lang vast zal zitten en dat aan hem daarom geen inreisverbod opgelegd mag worden. [18] Bovendien heeft hij sinds zijn detentie aantoonbaar een positieve gedragsverandering doorgemaakt en heeft hij verschillende cursussen gevolgd. Dit dient meegenomen te worden bij de beoordeling van de actuele bedreiging van de openbare orde. [19] Hij heeft zich tijdens zijn detentie tot nu toe voorbeeldig gedragen. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat de psychische problematiek van eiser is meegenomen bij het vaststellen van het gewicht dat moet worden toegekend aan de aard en de ernst van het gepleegde strafbare feit. [20] De geestelijke kwetsbaarheid van eiser is onvoldoende betrokken in de belangenafweging.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser nog steeds een actueel gevaar voor de samenleving vormt. Daarbij heeft de minister terecht gewezen op de opgelegde straf en de ernst van de misdrijven. Aan eisers positieve gedragsverandering tijdens detentie komt slechts beperkte betekenis toe. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat het goede gedrag van eiser in detentie onvoldoende zegt over het toekomstige gedrag in de samenleving. [21] De stelling dat eiser vooralsnog vastzit en daarom op dit moment geen actueel gevaar voor de openbare orde vormt volgt de rechtbank niet. Immers, gekeken moet worden naar het persoonlijk gedrag van eiser. [22] Het enkele feit dat eiser zich niet schuldig kan maken aan strafbare feiten, omdat hij vastzit maakt niet dat daarmee zijn persoonlijk gedrag ook daadwerkelijk is gewijzigd. Ook blijkt dat de psychische problematiek van eiser is meegenomen in de beoordeling en dat er, zoals ook wordt besproken in deze uitspraak, medische voorzieningen beschikbaar en voorhanden zijn in Turkije. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat de minister zijn geestelijke kwetsbaarheid onvoldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser mogen laten uitvallen?
13. Eiser voert aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van een zwaar inreisverbod strijd opleveren met artikel 8 van het EVRM, omdat inmenging in zijn familie- en privéleven niet gerechtvaardigd is. Eiser is geboren en getogen in Nederland en heeft privéleven opgebouwd. Eiser heeft twee minderjarige kinderen met wie hij regelmatig contact heeft. Ook heeft hij familieleden in Nederland en Duitsland. Eiser voert verder aan dat hij een 'settled immigrant' is, waardoor hij extra bescherming geniet. Tot slot verwijst eiser naar het arrest Savran [23] en stelt dat naast de aard en ernst van het feit waarvoor hij is veroordeeld, ook gekeken dient te worden naar de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd.
13.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser familieleven heeft met zijn dochters en dat hij privéleven in Nederland heeft opgebouwd. De vraag is of de minister van het bestreden besluit heeft moeten afzien, omdat de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM. Bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM een inmenging in het privéleven en familie- of gezinsleven rechtvaardigt, moeten volgens de rechtspraak van het EHRM de ‘guiding principles’ uit de arresten Boultif en Üner uitdrukkelijk bij de afweging worden betrokken. [24] Bij de afweging van het belang van de staat tegen het persoonlijke belang van eiser moet niet alleen ingegaan worden op de afzonderlijke beoordelingspunten, maar moeten deze ook in hun onderling samenhang worden bezien. Er moet sprake zijn van een juist evenwicht (fair balance) tussen de af te wegen belangen. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2017. [25] De rechtbank dient in het licht van het voorgaande te beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in deze belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een fair balance tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn familie- en gezinsleven en anderzijds het algemene belang van de Nederlandse samenleving om de openbare orde te beschermen. Deze maatstaf betekent dat de toetsing door de rechtbank enigszins terughoudend dient te zijn.
13.2.
De minister heeft in het bestreden besluit deze belangenafweging gemaakt en de belangen van eiser enerzijds en het algemeen belang van de Nederlandse staat om de openbare orde te beschermen anderzijds tegen elkaar afgewogen. Hierbij heeft de minister in het voordeel van eiser betrokken dat hij in Nederland is geboren en vanaf zijn geboorte in Nederland heeft verbleven. Ook heeft de minister in het voordeel van eiser betrokken dat hij in Nederland een netwerk en vriendenkring heeft opgebouwd. Hoewel de minister aanneemt dat eiser gezinsleven heeft met zijn twee dochters heeft de minister in het nadeel van eiser gewogen dat het contact met de kinderen summier is en bestaat uit bellen in het weekend, het ontvangen van tekeningen en enkele ontmoetingen per jaar op de Ouder-Kind dagen in de PI. [26] Verder heeft de minister in het nadeel van eiser gewogen dat eiser niet het gezag heeft over de kinderen. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat eiser een rol van betekenis speelt in de opvoeding of verzorging van de kinderen. Ook heeft eiser niet aangetoond dat de kinderen worden geschaad in hun ontwikkeling als hun vader terug moet keren naar Turkije en zij het contact op afstand moeten voortzetten. De minister heeft ook gemotiveerd waarom van eiser mag worden verwacht dat hij zich in Turkije staande kan houden. De minister heeft daarbij onder meer verwezen naar de nationaliteit van eiser en het gegeven dat er geen sprake is van een taalbarrière. Eiser is regelmatig op bezoek geweest naar Turkije. Eiser is een volwassen man met familie in Turkije, met wie hij het contact zou kunnen intensiveren. Wat betreft de openbare ordeaspecten heeft de minister bij de belangenafweging in het nadeel van eiser in aanmerking genomen dat hij meerdere keren is veroordeeld voor misdrijven, waaronder een zeer ernstig geweldsmisdrijf waarbij eiser blijvend letsel heeft veroorzaakt bij het slachtoffer. Aan de positieve gedragsverandering van eiser tijdens detentie heeft de minister beperkt betekenis toegekend.
13.3.
De belangenafweging is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de uitgangspunten die zijn neergelegd in de hiervoor vermelde rechtspraak van het EHRM. Naar het oordeel van de rechtbank – enigszins terughoudend toetsend - heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod niet in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM en dat de belangen van de Nederlandse samenleving zwaarder wegen dan de belangen van eiser. De minister heeft daarbij sterk in het nadeel van eiser kunnen laten meewegen dat hij herhaaldelijk misdrijven pleegde, waarbij de aard en ernst van deze misdrijven steeds zwaarder werd. De rechtbank is van oordeel dat de minister de veroordeling voor een zeer ernstig geweldsmisdrijf, waarbij eiser blijvend letsel heeft veroorzaakt bij het slachtoffer, zwaar in het nadeel van eiser heeft mogen laten meewegen. Hoewel eiser al lang in Nederland verblijft, heeft de minister niet ten onrechte geen doorslaggevende betekenis hieraan gehecht.
13.4.
Eisers beroep op het arrest Savran slaagt niet. In deze zaak speelde de vraag of betrokkene in Turkije de nodige zorg kon verkrijgen in het kader van artikel 3 van het EVRM. Zoals hierboven al is overwogen, heeft de minister heeft terecht gesteld dat eiser onvoldoende concreet heeft gemaakt waarom hij in Turkije te vrezen heeft voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verder stelt de minister niet ten onrechte dat niet is gesteld of gebleken dat eisers familieleden in Nederland een rol spelen in de behandeling van zijn psychische aandoening of dat eiser vanwege zijn stoornis afhankelijk is van hen. Bovendien heeft de minister voldoende gemotiveerd dat er ernstige redenen zijn om eisers uitzetting te rechtvaardigen. Het beroep op het arrest Maslov [27] slaagt daarom evenmin.
Oordeel
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de relevante belangen bij zijn beoordeling betrokken. Enigszins terughoudend toetsend, concludeert de rechtbank dat de minister kon komen tot de belangenafweging zoals hij dat heeft gedaan.

Conclusie en gevolgen

15. Zoals volgt uit rechtsoverweging 8.3. is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, omdat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. De rechtbank overweegt dat de minister het bestreden besluit van
19 november 2024 heeft aangevuld met het besluit van 27 juni 2025, waarbij de minister het besluit heeft voorzien van een nadere motivering. De rechtbank bepaalt dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
16. Eiser heeft recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank;
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit;
-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, voorzitter, en mr. R. Tesfai en mr. N. Meesters-van Luijk, leden, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Besluit Nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
5.Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanheft en onder a en b van het Vb.
6.Vreemdelingenwet 2000.
7.Vreemdelingenbesluit 2000.
10.Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 december 2010, nr. 5679537/10/DJI, houdende regels over de verlening van een machtiging tot verlof aan het hoofd van de inrichting voor verpleging van de ter beschikking gestelden.
11.Pagina 2, alinea 2 van het aanvullend besluit.
12.Wetboek van strafvordering.
13.Zoals bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), 30 mei 2023, 8757/20 (Azzaqui t. Nederland).
14.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
15.Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie), 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat).
16.EHRM, 5 september 2023, 44810/20 (Noorzae t. Denemarken) en EHRM, 5 september 2023, 31434/21 (Sharifi t. Denemarken).
17.EHRM, 9 april 2024, 2116/21 (Nguyen t. Denemarken).
18.Hof van Justitie, 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377 (Z. Zh. en I.O.).
19.ECLI:NL:RVS:2023:3850 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/).
20.EHRM, 30 mei 2023, 8757/20 (Azzaqui t. Nederland).
22.Hof van Justitie, 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377 (Z. Zh. en I.O.).
23.EHRM, 7 december 2021, 57467/15 (Savran t. Denemarken).
24.EHRM, 2 augustus 2001, 54273/00 (Boultif t. Zwitserland) en EHRM, 18 oktober 2006, 46410/99, (Üner t. Nederland).
26.Penitentiaire instelling.
27.EHRM, 23 juni 2008, 1638/03 (Maslov t. Oostenrijk).