In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, enkelvoudige kamer, op 20 januari 2026, wordt de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling beoordeeld. De eiser, die in bewaring is gesteld door de minister van Asiel en Migratie, is het niet eens met deze maatregel en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank onderzoekt of de minister de maatregel van bewaring rechtmatig heeft opgelegd. De rechtbank concludeert dat de minister terecht de maatregel heeft opgelegd, omdat er geen reden was om te kiezen voor een lichter middel en de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van de eiser. De rechtbank wijst erop dat er geen gebrek aan zicht op uitzetting naar Algerije is, ondanks dat de eiser al meer dan drie maanden in bewaring zit zonder dat er een laissez-passer is afgegeven. De rechtbank benadrukt dat het aan de eiser is om actief mee te werken aan zijn uitzetting en dat hij geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die rechtvaardigen dat de minister vaker had moeten rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.