ECLI:NL:RBDHA:2026:894

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL26.904
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een Algerijnse vreemdeling en de rechtmatigheid van de maatregel

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, enkelvoudige kamer, op 20 januari 2026, wordt de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling beoordeeld. De eiser, die in bewaring is gesteld door de minister van Asiel en Migratie, is het niet eens met deze maatregel en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank onderzoekt of de minister de maatregel van bewaring rechtmatig heeft opgelegd. De rechtbank concludeert dat de minister terecht de maatregel heeft opgelegd, omdat er geen reden was om te kiezen voor een lichter middel en de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van de eiser. De rechtbank wijst erop dat er geen gebrek aan zicht op uitzetting naar Algerije is, ondanks dat de eiser al meer dan drie maanden in bewaring zit zonder dat er een laissez-passer is afgegeven. De rechtbank benadrukt dat het aan de eiser is om actief mee te werken aan zijn uitzetting en dat hij geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die rechtvaardigen dat de minister vaker had moeten rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.904

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de maatregel van bewaring aan eiser heeft opgelegd. De minister had geen reden om te volstaan met een lichter middel en heeft voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. Daarnaast ontbreekt het zicht op uitzetting naar Algerije niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 30 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
2.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst op 31 oktober 2025. [2]
2.2.
De minister heeft op 7 januari 2026 de rechtbank van de maatregel van bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [3] Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op die voortgangsrapportage gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft op 13 januari 2026 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Als de rechtbank vindt dat het toepassen of uitvoeren van de maatregel van bewaring niet klopt volgens de Vw 2000, of dat het, gezien alle belangen, in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij dat de maatregel wordt opgeheven of dat de uitvoering ervan wordt aangepast. [4]
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 oktober 2025 blijkt dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek waarop die uitspraak is gebaseerd, rechtmatig was. Daarom kijkt de rechtbank bij het beoordelen of de maatregel nog steeds rechtmatig is alleen naar de periode sinds het sluiten van dat onderzoek op 28 oktober 2025.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser betoogt dat de minister had moeten kiezen voor een minder ingrijpend middel dan inbewaringstelling. Bewaring is immers een ultimum remedium, waarbij een zorgvuldige belangenafweging vereist is. Het is onbegrijpelijk waarom de minister niet had kunnen volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht of borgtocht.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In de uitspraak van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de (onbetwiste) gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen. Uit deze gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt dat er een risico op onttrekking bestaat. [5] De minister mag eiser daarom in bewaring houden met het oog op het veilig stellen van de uitzetting. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die zouden kunnen leiden tot het opleggen van een lichter middel.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. De minister heeft sinds het laatste beroep slechts vier keer gerappelleerd op de laissez-passer (lp) aanvraag en twee keer een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Bovendien heeft de minister onvoldoende inspanningen verricht om, naast het schriftelijk rappelleren, het dossier van eiser nog extra onder de aandacht te brengen van de Algerijnse autoriteiten.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister rappelleert maandelijks bij de Algerijnse autoriteiten over de voortgang van de lp, voor het laatst op 17 december 2025. Daarnaast voert de minister ook maandelijks een vertrekgesprek met eiser, waarvan het meest recente op 11 december 2025 plaatsvond. Volgens de rechtbank is deze aanpak voldoende om van voortvarend handelen te spreken. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat de minister vaker op dossierniveau had moeten rappelleren. Dat het traject al sinds juli 2024 loopt zonder dat een lp is verstrekt, maakt dit niet anders. In dit verband is van belang dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject maar niet is gebleken dat eiser zich inspant om zijn uitzetting of de afgifte van een lp te bespoedigen.
Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Algerije?
6. Eiser zit meer dan drie maanden in bewaring zonder uitzicht op uitzetting naar Algerije, omdat nog geen lp is afgegeven sinds het lp-traject op 21 juni 2024 is opgestart, zijn identiteit niet is vastgesteld en er geen presentatiedatum bekend is. Hij betoogt dat de bewaring daardoor onrechtmatig is. De minister moet aantonen dat Algerije nog lp’s afgeeft en inzicht geeft in het aantal afgegeven lp’s sinds begin 2025, met onderscheid naar type terugkeer en status vreemdelingen. Omdat het langer duurt om een lp te verkrijgen, wordt de redelijke bewaartermijn steeds korter en is het onwaarschijnlijk dat eiser binnen deze termijn kan worden uitgezet.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het uitzicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt, zowel in algemene zin [6] als specifiek voor eiser. Hoewel enige tijd is verstreken sinds de aanvraag van de lp en de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd, betekent dit niet dat het document niet zal worden afgegeven. Dat heeft eiser namelijk niet nader onderbouwd. Het uitblijven van een reactie, het niet vaststellen van eisers identiteit en het ontbreken van een presentatiedatum zijn onvoldoende om te concluderen dat er geen uitzicht op uitzetting is. Bovendien hebben de Algerijnse autoriteiten niet aangegeven dat zij in het geval van eiser geen lp willen verstrekken. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat voor eiser het uitzicht op uitzetting ontbreekt. Tevens is niet gebleken dat eiser pogingen heeft ondernomen om zijn nationaliteit aan te tonen, terwijl het zijn verantwoordelijkheid is om volledig mee te werken aan zijn uitzetting. Hoewel eiser verklaart bereid te zijn mee te werken aan zijn terugkeer, mag van hem worden verwacht dat hij actief bijdraagt aan het proces, bijvoorbeeld door inspanningen te leveren om een paspoort of ander identificerend document te verkrijgen, of door het schrijven van een vrijwilligersbrief aan de Algerijnse autoriteiten. Zolang eiser dergelijke stappen niet onderneemt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om de minister te verplichten cijfers te verstrekken over de doorlooptijden van de aanvragen voor de lp.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?7. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20080.
3.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
4.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000
5.ABRVS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
6.ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
7.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (