ECLI:NL:RBDHA:2026:900

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.55979
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van asielaanvragen en interstatelijk vertrouwensbeginsel in het kader van de Dublinverordening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 19 januari 2026, worden de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie had de aanvragen op 14 november 2025 afgewezen, met het argument dat Kroatië verantwoordelijk was voor de behandeling van deze aanvragen. De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 behandeld, waarbij zowel de eisers als hun gemachtigden en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft besloten de asielaanvragen niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat is vastgesteld. Eisers hebben betoogd dat er in Kroatië sprake is van een onvoldoende asielprocedure en het risico op indirect refoulement, maar de rechtbank oordeelt dat deze argumenten niet voldoende zijn om aan te nemen dat er een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling bestaat. De rechtbank verwijst naar de Dublinverordening, die bepaalt dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als een andere lidstaat verantwoordelijk is.

De rechtbank concludeert dat de minister zich terecht op het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft beroepen en dat eisers niet hebben aangetoond dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen hebben de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.55979, NL25.55980, NL25.55981, NL25.55982, NL25.55985 en NL25.55986

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen,
[naam kind 1], v-nummer: [nummer 2]
[naam kind 2], v-nummer: [nummer 3]
[naam kind 3], v-nummer: [nummer 4]
[naam kind 4], v-nummer: [nummer 5]
[naam kind 5], v-nummer: [nummer 6], en
[eiseres 2], v-nummer: [nummer 7], eiseres, en
[eiser], v-nummer: [nummer 8], eiser
(gemachtigde: mr. N.A.P. Heesterbeek),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 14 november 2025 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvragen van eisers terecht niet in behandeling heeft genomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van de besluiten
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister ten aanzien van Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eisers betogen dat ten aanzien van Kroatië niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In Kroatië is sprake van een onvoldoende kwalitatieve asielprocedure en van het risico op indirect refoulement. Eisers vrezen dat zij vanuit Kroatië uitgezet zullen worden naar Rusland of Tsjetsjenië. Eisers zijn in Kroatië slachtoffer geweest van onmenselijke en vernederende behandeling. Gelet op de algemeen bekend zijnde informatie en hun eenduidig afgelegde verklaringen is er geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van eisers. Gezien de al lang bestaande gebreken in de asielprocedure en opvangvoorzieningen kan niet meer gesproken worden van incidenten. Eisers zijn van mening dat klagen bij de Kroatische autoriteiten geen zin heeft. Zij hebben namelijk geklaagd bij de medewerkers van de opvang, maar toen is hen verteld dat ze naar een gesloten opvanglocatie gebracht zouden worden. Ook hebben eisers geen advocaat aangeboden gekregen. Ter onderbouwing van het voorgaande wijzen eisers op twee stukken van Asylum Information Database (AIDA). [2]
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [3] Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat zij in Kroatië te maken krijgen met een onmenselijke of vernederende behandeling. Als blijkt dat er sprake is van structurele tekortkomingen dan moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest te vallen. [4] De minister stelt terecht dat zij hier niet in zijn geslaagd. Wat eisers hebben verklaard over wat zij eerder hebben meegemaakt in Kroatië is onvoldoende om een reëel risico op een slechte behandeling en ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen aannemelijk te maken. De minister wijst er terecht op dat uit de verklaringen van eisers niet blijkt dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het Jawo-arrest is behaald. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat de Kroatische overheid met het claimakkoord heeft aangegeven dat eisers verzoeken om internationale bescherming in behandeling zullen worden genomen en dat hun asielverzoeken zullen worden beoordeeld in lijn met de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat Kroatië zich niet aan haar internationale verplichtingen houdt. Als eisers van mening zijn dat dit wel het geval is dan kunnen zij hierover klagen bij de Kroatische autoriteiten. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers niet hebben aangetoond dat de Kroatische autoriteiten hen niet willen of kunnen helpen. De enkele verklaringen van eisers dat zij geen advocaat aangeboden gekregen hebben in Kroatië maakt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Hierbij heeft de minister zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eisers maar enkele dagen in Kroatië verbleven hebben en de asielprocedure daar niet hebben doorlopen. Het beroep op de stukken van AIDA leidt naar het oordeel van de rechtbank ook niet tot een andere conclusie. De AIDA briefing on Asylum is namelijk gebaseerd op de AIDA-rapporten van verschillende landen, waaronder Kroatië, van 2024. De rechtbank is van oordeel dat dit rapport over Kroatië [5] geen wezenlijk ander beeld schetst dan het eerdere rapport van AIDA over 2023 [6] . Uit dat rapport, dat onder meer aan de orde is geweest in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024 [7] , blijkt niet dat voor Kroatië niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast blijkt uit de AIDA statistical update dat een aantal landen vreemdelingen om verschillende redenen de afgelopen jaren niet hebben overgedragen aan Kroatië. Zonder nadere onderbouwing waarom deze gevallen op eisers van toepassing zijn of vergelijkbaar zijn met de situatie van eisers kan hieruit niet de conclusie volgen dat voor Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Tot slot volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat een risico op indirect refoulement wegens verschil in beschermingsbeleid tussen lidstaten binnen de Dublinprocedure niet ter toetsing voor ligt. [8]
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?
6. Eisers betogen dat de minister, gelet op hun verklaringen over hun eigen ervaringen in Kroatië, toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Ook is overdracht zonder opvang volgens eiser in strijd met artikel 3 van het EVRM. Van een Dublinoverdracht moet worden afgezien als er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eisers een risico zullen lopen op schending van artikel 4 van het Handvest bij de overdracht of als gevolg daarvan. [9] Hiervan is sprake en dit is dan ook de reden dat Nederland de asielverzoeken van eisers in behandeling moet nemen.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Uit hetgeen eisers naar voren hebben gebracht blijkt niet dat een overdracht aan Kroatië leidt tot onevenredige hardheid. Uit hetgeen de rechtbank hierover onder 5.1 heeft overwogen in het kader van het interstatelijke vertrouwensbeginsel volgt dat er in de situatie van eisers geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de minister de asielaanvraag van eisers in behandeling zou moeten nemen. Deze manier van beoordelen is toegestaan door de Afdeling. [10]

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvragen van eisers terecht niet in behandeling heeft genomen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.AIDA, The implementation of the Dublin III Regulation in 2024, Statistical update, november 2025, p. 34 en AIDA, Briefing on asylum in 2024, 18 september 2025, p. 5, 11-12.
3.Dit volgt uit ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411 en ABRvS 9 oktober 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4037.
4.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (
5.AIDA, Country Report: Croatia, update 2024, augustus 2025.
6.AIDA Country Report: Croatia (2023 update)’, van 10 juli 2024.
7.ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:N:RVS:2024:4037.
8.ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
9.Dit volgt uit HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (
10.Zie bijvoorbeeld ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717 en ABRvS 27 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1250.