ECLI:NL:RBDHA:2026:900
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van asielaanvragen en interstatelijk vertrouwensbeginsel in het kader van de Dublinverordening
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 19 januari 2026, worden de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie had de aanvragen op 14 november 2025 afgewezen, met het argument dat Kroatië verantwoordelijk was voor de behandeling van deze aanvragen. De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 behandeld, waarbij zowel de eisers als hun gemachtigden en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft besloten de asielaanvragen niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat is vastgesteld. Eisers hebben betoogd dat er in Kroatië sprake is van een onvoldoende asielprocedure en het risico op indirect refoulement, maar de rechtbank oordeelt dat deze argumenten niet voldoende zijn om aan te nemen dat er een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling bestaat. De rechtbank verwijst naar de Dublinverordening, die bepaalt dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als een andere lidstaat verantwoordelijk is.
De rechtbank concludeert dat de minister zich terecht op het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft beroepen en dat eisers niet hebben aangetoond dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen hebben de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.