In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 22 januari 2026, wordt het beroep van eisers behandeld die zich beklaagden over het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op hun aanvragen voor een machtiging voor voorlopig verblijf, ingediend op 5 december 2024. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld en heeft het verzoek van eisers om vrijstelling van het griffierecht toegewezen. De rechtbank constateert dat de minister de beslistermijn van 90 dagen heeft overschreden en dat eisers, na het verstrijken van deze termijn, de minister hebben verzocht om alsnog binnen twee weken te beslissen, wat niet is gebeurd. Hierdoor is het beroep ontvankelijk en gegrond verklaard.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de meervoudige kamer en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is geoordeeld dat bij overschrijding van de beslistermijn in vergelijkbare zaken rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden. De rechtbank heeft de minister opgedragen om binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een beslissing te nemen op de aanvragen, met de mogelijkheid van een verlenging tot twintig weken indien de minister besluit tot nader onderzoek. Tevens is er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
De uitspraak concludeert dat de minister de proceskosten van eisers moet vergoeden, vastgesteld op € 467,-. De rechtbank heeft de uitspraak openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.